De Wolfshoeve

voor prestatie in de spring- en dressuursport!

Jingers Jaunts

Donderdag 21 januari 2010, Huijbergen

 

Volgende week woensdag, 27 januari, vertrekken wij naar Christchurch,  Nieuw Zeeland. We nemen daar deel aan de Jingers Jaunts, een rally over het Noorder- en Zuidereiland, in onze rode 2CV6 special.

De rode eend is al even aan de andere kant van de wereld, die is eind oktober vorig jaar per container verscheept vanuit de Rotterdamse haven.

In Nederland had ze haar APK-keuring glansrijk doorstaan en had als test een ritje naar Zuid-Frankrijk achter de rug, met snelweg, bergweggetjes en sluiproutes.

Het werd nog even spannend toen we 22 december het onheilspellende mailtje van Jingers (Tim Riley, organisator) kregen dat onze eend de ‘biosecurity inspection’ was gepasseerd maar dat ze was afgekeurd op ‘road-worthiness’. De Nieuw Zeelandse verkeersinspectie vond dat er teveel spel op het stuur zat, zodat er nieuwe fuseepennen gestoken moesten worden. Nu is Citroen al geen merk waar ze Down Under mee weglopen, maar 2CV’s zijn helemaal een rariteit. Dus had DHL weer een nieuwe klant en zij hebben razendsnel een set fuseepennen in Christchurch afgeleverd.

Jingers heeft zich er zelf mee bemoeid en inmiddels staat onze eend tussen haar rally-maten te wachten op vertrek. Ze zal hard moeten werken: haar collega’s zijn vrijwel zonder uitzondering Toyota 4x4’s, waaronder een die mijn vader en Els hebben gehuurd. Zij gaan het avontuur ook aan!

Ik zal, als de techniek een beetje meewerkt, dagelijks verslag proberen uit te brengen van onze reis door Aotearoa, het land van de lange witte wolk!

Foto's komen onder de knop 'foto's' in de map Nieuw Zeeland.

 

Groet Pieter en Annemieke

 

Woensdag 27 januari - Vrijdag  29 januari; Amsterdam-Christchurch

 

Min 8 graden gaf de Toyota aan toen Dominique ons om 5.45 uur op het station in Bergen op Zoom afzette. Dinsdags hadden er rond Dordrecht geen treinen gereden, dit keer vanwege zout op de rails. Gelukkig had pro-rail aan ons tijdschema gedacht en alle wissels ontdooid en blad en zout van de rails gehaald, zodat onze reis voorspoedig begon. Ook het traject van Amsterdam naar Singapore (12,5 uur vliegen) verliep ok, zeker ook omdat de B 777 niet vol zat en wij de middenrij van drie stoelen voor ons samen hadden.

Op het vliegveld van Singapore hebben we drie uur geslapen en gedouched in een transit lounge en daarna een taxi genomen die ons naar het Raffles hotel bracht. Dat was even wennen: het was 11 uur ’s ochtends en al 30 graden. Het Raffles hotel is een mooi stukje koloniaal Engels verleden tussen de moderne wolkenkrabbers van Singapore. Vandaar uit zijn we met volledige bepakking (onze rugzakken wegen nogal wat door de laptops, fotocamera, lenzen en batterijen) naar Chinatown gewandeld. Dan begin je toch te voelen wat ze met een jetlag bedoelen. Mijn legs functioneerden niet echt naar behoren en Pieter wilde ook nogal vaak ‘even wat drinken op ’n terras’. Chinatown was niet echt wat ik ervan verwachtte: het was een grote toeristenmassa met souvenirwinkeltjes. Gelukkig her en der een kraampje waar ze groente en fruit, snoep, noten en zaden verkochten. De pomelo’s waren rijp en daar vielen we bijna over, op zijn Chinees was er met touw een netje om geknoopt zodat je ze kon dragen zonder plastic zak. We zijn een boeddhistische tempel ingelopen, maar zelfs dat was een tegenvaller: splinternieuw en dat blinkt veel te hard. Bovendien hingen er bij ieder Boeddha altaar ongeveer 500 kleinere versies aan een haakje die je tegen betaling mee kon nemen. Heb ik China en Tibet niet gezien! Wel leuk was onze lunch in Maxwell Food Market. Een lange smalle overdekte hal met aan beide zijden piepkleine ‘restaurantjes’ die ieder hun eigen specialiteit verkocht. In het middenpad van de hal stonden vaste tafels en stoeltjes en daar schoof je aan tussen de plaatselijke bevolking. Onze stoelgang kon best een boost gebruiken, dus hebben we ’n Thais bordje eten besteld voor het enorme bedrag van € 4,50. Voor twee personen wel te verstaan. Het smaakte prima en we zijn er nog niet ziek van geworden!

Met een taxi zijn we terug naar Changi-airport  gebracht waar we om 20.45 uur onze vlucht naar Christchurch hadden. Nu konden we wel slapen en de vlucht van 9 uur en drie kwartier ging redelijk vlot. Ook deze vlucht was met Singapore Airlines en door hun service aan boord is het echt a great way to fly met hen. De aankomst in Christchurch was warm. Niet zozeer door de temperatuur (15 graden om 10.30 uur) maar wel door de ontvangst. Zeer vrolijke douane beambte die vroeg hoe lang ik nog moest ‘zitten’? (was op het formulier vergeten in te vullen dat ik geen gevangenisstraf te goed had) en uiterst vriendelijke hondenbewaking vanwege de biosecurity. We hebben misschien 5 minuten op onze koffers hoeven wachten en in de hal stond de chauffeur van ‘Jingers Jaunt’ al naar ons uit te kijken. Volgens de mail die we van Jingers hadden ontvangen zou er een lange charmante man ons op komen halen. Dat ‘lang’ klopte wel, maar waar kwam dat ‘charmant’ vandaan? Dat werd ons al snel duidelijk: na duizend verontschuldigingen over de verbouwing en daardoor chaos op het vliegveld kwamen we bij zijn auto aan: een oude Rolls Royce! Absoluut charmant! We zijn nu in The George hotel en hebben al een stukje door Christchurch gewandeld. Beetje bijkomen van een lange reis naar de andere kant van de wereld. Besef je trouwens niet als je in Christchurch bij de Indiër zit te eten. Opzij en schuin tegenover ons zaten ook mensen aan tafel: Nederlanders!

 

Groet,

Pieter en Annemieke

Zaterdag 30 januari, Christchurch

 

Na een ontbijt met heerlijk Nieuw Zeelands fruit zijn we met de eend op pad gegaan om alvast te tanken en wat inkopen te doen. Ze startte meteen! Alleen zag ik op de bijrijderstoel helemaal niks meer vanwege alle stickers op de voorruit. Een grote groene passed sticker heb ik er voorzichtig afgetrokken nu kan ik iets zien! Ze trekt wel bekijks hier op het parkeerterrein: een man uit Munchen was er niet bij weg te slaan en vanavond kregen we al haast een bod. We hebben echter moeten tekenen dat ze hoe dan ook uit Nieuw Zeeland vertrekt, dus daar zullen we ons maar aan houden.

Daarna zijn we de stad ingelopen, het is heerlijk weer: stralende zon en ongeveer 25 graden. Hier in Christchurch is voor de 17de keer het World Buskers Festival aan de gang. Veertig straatartiesten geven gezamenlijk ongeveer 450 shows op een aantal plaatsen in de stad. De organisatie betaald op uitnodiging hun reis naar hier, opbrengsten genereren ze zoals overal in de wereld: ze gaan met de pet rond. Er is heel veel publiek bij hun optredens, menig circus zou er jaloers op zijn. Sommigen laten knappe staaltjes zien. Wat een Engelse jongen met zijn schouders uithaalt is haast eng om te zien. Ook nog even cultureel bezig geweest door de Canterbury Provincial Council Buildings te bezoeken. Deze in Victoriaans-neogotische stijl opgetrokken raadsgebouwen zijn ontworpen door architect Benjamin Mountfort uit Christchurch en in drie delen gebouwd tussen 1858 en 1865. De oudste delen zijn uit hout opgetrokken, het laatste stuk in steen en het ene deel loopt in het andere over. Het zijn de enige overgebleven raadsgebouwen in Nieuw Zeeland. Op de terugweg naar het hotel zijn we nog door het Christ’s College gelopen. Je waant je in Cambridge of Oxford: schoolgebouwen in neogotische stijl rond een Engels groen grasveld.

 

Groet

Pieter en Annemieke

Zondag 31 januari, Christchurch

 

Vannacht weer ouderwets geslapen en gelijk ook een gat in de dag: we waren maar net op tijd voor het ontbijt! Weer de stad ingelopen en een busker aan het werk gezien. Ze hebben allemaal andere acts, maar in grote lijnen pakken ze het op dezelfde manier aan: het publiek dicht om je heen zien te krijgen en ze er bij betrekken. Je hoort steeds dezelfde grappen, maar ze gieten er een ander sausje over. Wij vinden het erg leuk!

Na een koffie (niet voor mij!) bij Starbucks (dat krijg je met zo’n halve Amerikaan als Pieter), zijn we het aquarium ingelopen. Alleen maar vissen die rond het zuidereiland zwemmen, geen grote collectie dus, maar ze hebben er Kiwi’s en die wilde ik graag zien.

In het wild zullen we ze niet tegenkomen: ze zijn haast uitgestorven en bovendien zeer schuw en ze leven ’s nachts.

Ze hadden een koppeltje bruine kiwi’s, die zo groot zijn als een kip. Een hele lange dunne snavel met voelsprietjes aan het uiteinde. Geen staart en de vleugels zijn niet meer zichtbaar. Ze hebben enorm grote en stevige poten, wat natuurlijk wel handig is als loopvogel… Als je goed zoekt zit er nog een kaal uitstulpinkje van een cm waar ooit een vleugel is geweest. Ze zaten in het donker met z’n tweeen en doordat Pieter en ik met z’n tweeen erbij mochten (achter glas) was het zo stil dat er een vlak bij ons kwam die we dus redelijk goed konden zien.

Net zo’n ervaring als de Panda’s in China: het symbool van een land wat je helaas buiten niet meer tegen zult komen. Maar als je in China bent wil je een Panda zien en in Nieuw Zeeland een Kiwi!

Pa en Els zijn inmiddels ook gearriveerd en we hebben zojuist samen gegeten.

Morgen krijgen we de rallyplaten voor de eend en is er een briefing en morgenavond gaan we met de hele groep dineren.

Groet

Pieter en Annemieke

Maandag 1 februari, Christchurch

 

Na een lekker ontbijt met veel Nieuw Zeelands fruit, dat heerlijk rijp is, hebben we in de Treasury Room van het The George hotel ons pakket rallyspullen in ontvangst genomen. Roadbook, deurstickers, rallyplaten en een geladen GPS systeem. Alle routes van de eerste tien dagen staan erin. We zijn natuurlijk gelijk onze eend gaan versieren en hebben een rondje gereden om de GPS te testen. Lady Jane , zoals ze hier genoemd wordt spreekt ook keurig Nederlands! De auto hadden we al eerder vol getankt, maar we waren onze reservetank vergeten, dus rijden we een eindje de stad uit naar een kleine pomp waar ze onze eend al kennen: ze hadden haar een paar dagen geleden voorbij zien rijden!

’s Middags een briefing gehad over wat verkeersregels in Nieuw Zeeland en uitleg gekregen over medische zaken. Er zijn geen giftige slangen of andere enge beesten in Nieuw Zeeland. Er leeft een giftige spin, die zich ophoudt in drijfhout. Dat blijven we dus maar af. Wat wel een plaag is hier, zijn de Opossum. Bruine katachtige beesten die niet inheems zijn en veel schade toebrengen aan de flora en fauna. Gelukkig hebben ze een goede vacht die in combinatie met Merino wol een cashmere achtige kwaliteit wol oplevert. Een andere vervelende bijkomstigheid van Opossums is dat ze vaak TB bij zich dragen. We zullen ze niet aaien…

’s Avonds zijn we met de bus gaan eten bij een door de Engelsen gebouwde rustplaats: een klein kasteeltje waar we in de tuin een glaasje Champagne uit de streek kregen en lekkere hapjes. Heel relaxed tot er een groep Maori zangers langskwam…  Hele grote mensen en, in ieder geval deze, behoorlijk zwaar. Ze zingen niet direct vrolijke liedjes, maar klinken behoorlijk agressief, waarbij ze hele grote ogen maken en enorme kreten slaken. Kan me voorstellen dat Abel Tasman in december 1642 rechtsomkeert maakte toen hij aan land kwam en een stel Maori zag. Vier van zijn mannen sneuvelden ook, dus ze klinken niet alleen agressief, maar waarschijnlijk waren ze dat ook.

Morgen gaan we beginnen we hebben er zin in!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Dinsdag 2  februari, Christchurch, Akaroa, Christchurch

 

Om half negen uit het hotel weggereden richting Aquaria op het Banks Peninsula. De Banks Peninsula is een schiereiland dat is ontstaan door de vulkanen Lyttelton en Akaroa die tot 25000 jaar geleden voor de kust van het Zuidereiland lagen. De verschillende erupties hebben ervoor gezorgd dat er nu een schiereiland ligt met verschillende natuurlijke havens in heel veel diepe inhammen in zee.

Dit is de thuisbasis van Jingers als hij tenminste niet voor een of andere rally de route survey aan het doen is.

Het uitzicht over de baaien is fantastisch hoewel het weer wat bewolkt en mistig is. Het eerste stuk gravel, een eenmanspad de bergen in, verliep heel goed voor onze Rooie. Akaroa is een feest. Na koffie en thee met pa en Els aan de haven zijn we een rondvaart gaan maken door de ‘haven’ op zoek naar Hector dolfijnen. De Hector of Nieuw Zeelandse dolfijn is de kleinste dolfijnen soort en leeft alleen langs de kuststrook van Nieuw Zeeland. Ze zijn redelijk zeldzaam geworden, vooral veroorzaakt door visserij. De visvangst met sleepnetten doet dolfijnen de das om. Ze kunnen niet achteruit zwemmen en moeten om de paar minuten boven komen om te ademen. Ze verdrinken dus binnen 4 minuten als ze in een net terecht komen. Uiteraard troffen wij het volgens onze gids aan boord (die overigens goed Nederlands sprak, ze had 10 jaar in Eindhoven gewoond) bijzonder goed, want al na een kwartiertje varen kwam de eerste Hector voorbij. Deze dolfijnen worden ongeveer 1.20 meter lang en zwemmen in kleine groepjes van twee tot zes stuks. Zoals alle dolfijnen zijn ze speels en nieuwsgierig, ze komen dus telkens terug kijken bij onze boot. Bij zijn tocht langs de, hier en daar steile, kust, kwamen we ook een groepje zeehonden tegen en veel vogels, waaronder aalscholvers. Wat we ook zagen zwemmen waren heel kleine pinguïns. Zo op het water moet je wel goed kijken, het lijken net eenden!

Terug aan land werd ik door Pa getrakteerd op een ketting en oorstekers gemaakt van gekweekte parels uit Paua schelpen die een groen blauwe parelmoer kleur hebben.

We zijn net op tijd terug bij de boot om ons (Pieter, Els en ik) in wetsuits  en –schoenen te hijsen (letterlijk!). We gaan een kleiner bootje in op zoek naar Hectors om mee te zwemmen. Zelf heb ik zo mijn bedenkingen, reisgidsen zijn niet lovend over deze attractie en ik ben redelijk bang van water en dat is een understatement!

Maar goed, je bent in Nieuw Zeeland, hier zijn Hectors en een deel van het geld wordt besteed aan behoud van en onderzoek naar deze dolfijnen. Dus ik verwacht 50 m uit de kant, middenin de haven van boord te gaan in de hoop dat er zo’n grote vis langs komt zwemmen.

Niets is minder waar! Zoals alle Nieuw Zeelanders die we tot nu toe hebben ontmoet, zijn ze dol en trots op hun land en doen ze er alles aan ook jou een goed gevoel te geven. Steeds als ze een of twee dolfijnen spotten, gaat de motor af en wordt er gewacht, maar steeds varen we verder, tot we een heel eind de baai uit zijn. Een collega schipper meldt dat hij een aantal Hectors heeft gezien. Daar gaan we dan, overboord, voor mijn gevoel middenop de Pacific Ocean, 170 miljoen vierkante km water om me heen. Dat is dus een hele stap, het water schijnt 13 graden C te zijn…

Zo´n wetsuit blijkt het einde te zijn, het water voelt totaal niet koud en het allermooiste komt dan. We worden in no time omgeven door Hectors, ik kan niet zeggen hoeveel we er zien en natuurlijk komen dezelfde dolfijnen steeds terug, maar meer dan vijftig zeker. Ze zwemmen tussen en onder ons door en terwijl we op de hoge golven blijven drijven zien we ze in groepjes van drie tot zes in formatie aan komen zwemmen op de golven. Dit is een dolfinarium in het echt! Een absolute belevenis! We zijn zeker een half uur tot drie kwartier in het water en vervelen ons geen moment. We hebben snorkels, niet om te snorkelen, maar om door te zingen in het water en warempel, als we geluidjes maken komen ze terug! Ook hebben we twee kiezels gekregen van de bemanning,  die we tegen elkaar aan tikken onder water.

Als de schipper ons sommeert om terug aan boord te komen krijg ik het nog wel even Spaans benauwd, in zo´n wetsuit blijf je heerlijk drijven, maar zwemmen gaat voor geen meter en als laatste kom ik bekaf aan het trapje…

Ook Els en Pieter zijn overdonderd en Pa, die het fototoestel in handen had, leefde zo mee dat hij geen foto heeft gemaakt!

De terugweg is superteraard waren wij bijzonder uten als zze in een net terecht komen. om te ademen.met sleepnetten doet dolfijnen de das om± Z , maar de gravelweg voor 4x4 is voor de Eend toch te machtig. Voor een steile bocht ligt teveel wasbordgravel, waardoor ze grip verliest en niet meer verder komt. Pa en Els moeten achteruit terug met hun gehuurde Toyota Prada (een Landcruiser bij ons) om ons naar boven te slepen. Jammer, maar onze ervaring met de Hectors maakt alles goed.

 

Groet

Pieter en Annemieke       

Woensdag 3 februari, Christchurch-Kaikoura-Hanmer Springs, 339 km

 

Vandaag om kwart over zeven vertrokken. Foutje, ik had de wekker gezet zonder bril op… maar we hebben er geen spijt van gehad. De route vanaf Christchurch naar het noorden richting Kaikoura (Maori voor ‘kreeft eten’) begint vlak en na ongeveer zestig kilometer komen we in Waipara. Deze streek is een relatief nieuw wijnbouwgebied; de eerste wijnstokken zijn pas rond 1980 geplant. Toch hebben verschillende wijnhuizen al prijzen gewonnen met hun wijnen van Chardonnay, Pinot noir en Cabernet Sauvignon druiven. We passeren wijnhuizen als Mud House Winery en Pegasus Bay, maar helaas openen ze pas rond 10 uur en Pieter, Do en Els zijn dus te vroeg! Gelukkig komen we over een paar dagen in nog bekendere wijnstreken.

Wat al wel om 9 uur open is, is Mainline Station Café in Dommet. Het is een oud stationsgebouwtje dat nu als café dienst doet. Wat schetst onze verbazing als we tussen alle trein spulletjes een ingelijst krantenknipsel vinden: jaren geleden zijn de eigenaren uit Haarlem naar hier geëmigreerd. Inmiddels is de tweede generatie aan het werk en ook zij werken met hart en ziel en verkopen zelfgebakken brood en koeken naast versgezette koffie en thee.

We rijden verder door heuvelachtig land en als we een bocht maken, kijken we opnieuw in de Pacific! Het is ondertussen helder weer en de zee is azuurblauw. We dalen af en belanden op de kustweg. De kust is ruig en rotsachtig, ideaal voor zeehonden. We rijden de weg af om wat te drinken aan de waterkant en komen terecht tussen een tiental zeehonden die heerlijk liggen zonnebaden. Onze komst interesseert ze weinig en we benaderen ze tot ongeveer anderhalve meter afstand. Het doet ze niks, je hebt het idee dat je ze zou kunnen aaien. Na een korte pauze op onze super oranje klapstoelen (ze passen in een beetje handtas) rijden we verder richting Kaikoura, nog ongeveer vijftien km. Daar ontmoeten we de rest van de groep om in te schepen voor een tochtje walvis-kijken. Een aantal gaat niet mee, er wordt gezegd dat je toch niks ziet. Zou jammer zijn, want een potvis te zien duiken is een van de dingen die heel hoog op mijn verlanglijstje staan. Do, Els, Pieter en ik gaan aan boord van een catamaran, waarbij we worden verzocht te gaan zitten. Dat staat me niet, ik zit niet eens aan het raam! Als we koud vertrokken zijn begrijp ik waarom: die boot gaat met een noodvaart over het water. Al deze potvis-kijk-boten heb onderling contact en ook apparatuur om onder water te luisteren of er ergens potvissen actief zijn. Al binnen vijf minuten gaat de schipper op de rem en worden we losgelaten, we zien een potvis drijven: net een duikboot. Hij (er zijn hier alleen mannetjes, de dames vertoeven in warmere streken) blijft vanaf zijn rugvin tot aan het spuitgat op zijn kop boven water liggen, de rest krijgen we niet te zien. Na een minuut of tien varen we verder, deze heer slaapt, ondanks het gebulder van twee walvis-kijk-vliegtuigjes, een walvis-kijk-helicopter en twee toeristen boten! Volgens mij leveren de potvissen aan ecotoerisme meer op dan in het verleden de walvisvangst. Alleen IJsland, Noorwegen en Japan hebben nog een walvisvloot onder de noemer van wetenschappelijk onderzoek. Na wat heen en weer scheuren, de boten hebben onderling contact, treffen we een wakkere jongen aan. Dat kunnen we nu zelf ook zien, deze ademt veel sneller dan die andere. Na een minuut of zes komt er beweging in: hij duikt in eerste instantie onder, bolt dan zijn rug, duikt naar beneden en als laatste komt de staart helemaal uit het water om rimpelloos onder water te verdwijnen. Door de kracht van de staart bij het duiken verschijnt er een grote, gladde, cirkel op het water. Gemiddeld duiken de potvissen in Kaikoura 45 minuten tot 1600 meter diepte om dan weer een kwartiertje uit te rusten. We zijn alle vier opgetogen, dit is nog indrukwekkender dan we dachten, een dergelijk duikende walvis op 30 meter afstand!

We varen verder: er is ook nog een Orka gespot! En ook die zien we zwemmen. Een enorme man (zijn veel groter dan de vrouwtjes en hebben een veel grotere en driehoekige rugvin). Een rustig ritme zwemt hij naast ons mee, als hij ademt zien we zijn hele bovenkant, prachtig! Onze tijd is om, we varen terug. Tot de schipper nog een keer remt, hij ziet nog een potvis. Ook deze zien we duiken, recht vanachter, een waanzinnig gezicht!

Alles mag vanaf nu de mist in gaan, voor mij kan deze reis al niet meer kapot. Dat is maar goed ook, want terug bij de Eend blijk ik het licht aan te hebben laten staan, dus lege accu. Normaal duw je zo’n ding alleen aan, maar dat lukt niet, ik zal wel iets niet goed doen. Accukabels er op en bij pa aan de Prado: een tik en ze loopt. We rijden met Els en pa terug naar de zeehonden, die zij hadden gemist, en dan door naar Hanmer Springs. We rijden de vallei uit en zien voor ons de Southern Alps liggen, prachtig in de zon. We klimmen de bergen in en worden na twintig km gewaarschuwd voor schapen op de weg. Inderdaad passeren we een schaap en nog een, en een eindje verder weer een paar. Niet echt spectaculair. Tot we de bocht om rijden en de Eend tussen de schapen moeten laten stoppen: honderden geschoren wolbalen om ons heen! Vrij laat komen we in het ressort in Hanmer Springs aan, waar we een verrukkelijk diner hebben.

 

Groet

Pieter en Annemieke

Donderdag 4 februari, Hanmer Springs-Molesworth Station-Blenheim

 

Vanmorgen op het gemak aan, we moeten Veronica, de fotografe, oppikken langs de route. Alles in de rooie geladen en achter het stuur, starten en weg. Nee dus, weer geen stroom. Lichten en radio waren uit, alleen de aansluiting van het GPS systeem zat nog in de sigarettenaansteker. Die zal dan de accu langzaam leegtrekken. Dat weten we dan voor vanavond, uittrekken dat ding!

We rijden Hanmer Springs in om te tanken, we komen vandaag weinig mensen tegen en zeker geen tankstations. Eend stil, volgooien en een busje motorolie gekocht, je weet maar nooit.

Helaas: weer geen stroom. Was de accu nog niet genoeg opgeladen? Vreemd! Met een snelstarthulp van het tankstation gestart en weer op weg. Over de Jolies Pass Road, een mooi gravelweggetje door het bos. Lekker steil en wat loopt de Eend lekker! We dalen weer af en zien tot ons genoegen een doorwaadbare plaats in de rivier waar de weg doorheenloopt. Heerlijk, een Eend door het water! Als ze boven komt vraagt Pieter of ik er foto’s van heb, anders rijdt hij terug en gelijk valt de rooie stil. Ik denk natuurlijk ‘stommeling, hou die auto aan de praat’ en ik moet achter het stuur om me door Pieter aan te laten duwen. Nee dus, ze slaat echt niet aan. We duwen haar samen een heuveltje op zodat ze naar beneden rollend kan starten, maar ook dat wordt niks. Shit! Pieter kijkt onder de motorkap en het lijkt of de benzineslang lekt. Een stukje eraf gesneden, aangezogen en terug gemonteerd. Op dat moment passeren Jim Carr en Helen Peacock, die al pech hadden voor de rally begon: de dynamo van hun Range Rover kapot en niet te repareren. Ze hebben nu een huurauto. We leggen de sleepkabel uit en zij proberen ons aan te trekken. Niet, ze slaat echt niet aan. Ze krijgt geen benzine. Weer de kap open en inmiddels hebben zich zes techneuten verzameld om dat kleine motortje. En met zijn allen ontdekken ze de oorzaak: dynamo doorgebrand.

Jim zijn auto ernaast gezet en de accukabels erop zodat die onze accu ’n half uurtje oplaad. Gelukkig hebben we een dynamo in de doos onderdelen zitten. Vanavond demonteren dus.

Op dat punt splitsen de wegen voor 4x4 en 2x4 zich. Mary Anderson en haar broer Richard Martin-Hurst rijden achter ons aan door het Molesworth Station, 180 km gravel voor de boeg, zonder GSM-ontvangst of tankstations. Maar mooi! Dit nationale park en werkend veebedrijf is het grootste van Nieuw Zeeland met een afmeting van 166000 ha. Voorheen was het een particulier bedrijf met, begin 1900, op zijn top 50000 schapen. In 1925 was dat aantal gezakt tot 1400 schapen, dat alles veroorzaakt door een konijnenplaag. Het landgoed was simpelweg veranderd in een woestijn, geen grasspriet meer te zien. In 1938 heeft de staat het failliete bedrijf overgenomen en nu is het aantal schapen gestegen naar 10.000 stuks. Hoofdzakelijk Merinosschapen voor de wol. Lammeren doen ze gelukkig allemaal zelfstandig. Ik moet er niet aan denken…

Het landschap is bergachtig, hier en daar ruig, maar vooral weids en stil. Er loopt een weg door van noord naar zuid en hier en daar staat een huis. We komen op 180 km weg zeker zes boerderijen tegen.

Wat we ook tegenkomen is een boom. Niet verticaal, maar horizontaal. Op de weg. En niet zo’n kleintje ook. Met een sleepkabel geprobeerd hem weg te trekken, maar hoewel dood geeft de boom zoveel tegengas, dat Richard’s sleepkabel in tweeën gaat. Geen van onze telefoons heeft bereik, een kettingzaag hebben we niet en terugrijden is ook zo wat: we zijn al ruim over de helft. Op dat moment sluit er een auto bij ons aan. Twee heren in korte broek en blauw overhemd sluiten aan. Ze hebben net schapen gekocht op de dichtstbijzijnde boerderij en een van hen rijdt terug om een kettingzaag te gaan halen. Verplichte picknick dus!

Een uur later is de boom kort en vervolgen we onze weg zonder problemen. We komen rond 17 uur in Blenheim aan en om 17.30 uur heeft de Eend een ruildynamo. Klaar voor de volgende etappe.

Groet, Pieter en Annemieke

Vrijdag 5 februari, Blenheim-Picton (ferry)-Wellington

 

Het doel van vandaag was oversteken van het Zuider- naar het Noordereiland met de ferry van 12:15 uur en dat is gelukt! Niet zo verwonderlijk als je de kortste route kiest van Blenheim naar Picton. Er was een mooie route langs de kust gepland, maar voor we het wisten stonden we drie uur te vroeg voor de incheckbalie van de ferry…

Dat was toch wat te gortig, dus zijn we eerst gaan tanken en heeft Pieter een nieuw stukje benzineleiding gekocht. Dat was behoorlijk verduurd, dus even ’n nieuwe opgezet, zou ik zelfs kunnen in een Eend. Ze start nu trouwens weer als ’n zonnetje en de dynamo laadt goed. Om toch nog wat van de omgeving te zien zijn we de Queen Charlotte Drive opgereden. Een bergweg langs de gelijknamige Sound waar Picton aanligt. De kustlijn van Nieuw Zeeland is op sommige plaatsen onvoorstelbaar grillig, zoals hier in Picton; het meest oostelijke stukje van de Marlborough Sounds. Onmogelijke inhammen en baaien met afwisselend stille zandstrandjes en rotsachtige kusten. Het water is echt azuurblauw en dat samen met een strakblauwe lucht, zie je om iedere bocht een nieuwe ansichtkaart. Wat hier heel veel groeit tegen de bergen is een van de symbolen van Nieuw Zeeland, een varen die wel 5, 6 meter hoog wordt en dan eigenlijk op een palm lijkt. Alleen aan de manier waarop het jonge blad uitrolt zie je meteen dat het een varen is. Zal er een fotograferen als het lukt. Ik reed vanmorgen zelf en heb de afwijking van mijn vader geërfd: voet op het gas, niks stoppen…

De overtocht naar het Noordereiland is prachtig. Een vaarroute van 62 km waarvan de eerste 25 km door de Queen Charlotte Sound. Langs de hele kust liggen her en der verspreid vakantiewoningen. Sommigen zijn alleen via het water bereikbaar, over privacy gesproken. Het is hier hoogzomer, de scholen zijn deze week weer begonnen (alle kinderen in uniform, echt wel Engels!) en het is heel rustig op het water met plezierbootjes. Een enkele zeilboot en een speedbootje, maar geen Veerse Meer taferelen!

Bij het oversteken van de straat van Cook zien pa en Els weer een potvis liggen rusten en Pieter en ik zien een groepje dolfijnen springen. De haven van Wellington is ook weer helemaal natuurlijk door een enorme baai met een flink schiereiland en dan ‘links om de hoek’de hoofdstad Wellington. Er staan trouwens een aantal veewagens op de boot, geladen met vier lagen schapen. Ze moeten werkelijk bukken, anders passen ze er niet. De bovenste laag is aan de bovenkant afgesloten met gaas, we kijken dus zo in de compartimenten bij de Merinos!

We hebben toen we van de boot kwamen de Eend eerst door een wasstraat gestuurd, ze zag er niet meer uit, na alle gravel van de laatste dagen. Ik ben erin blijven zitten en ik kan je vertellen, ze is ook vanbinnen gewassen. Best een spektakel, een wasstraat in je eentje in ’n eendje. Ik dacht dat het dakje het zou begeven en daar hebben we geen vervanging voor bij ons…

In Wellington wordt dit weekend een rugbytoernooi gehouden en gelijktijdig wordt er carnaval gevierd. We zijn na het eten naar het stadion gewandeld en hebben ons geamuseerd. Nieuw Zeelanders lijken toch wel echt Engelsen: de meeste waren stomdronken! Maar niemand doet vervelend of valt een ander lastig.

Morgen hebben we een dagje vrij, dus lekker uitslapen!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Zaterdag 6 februari, rustdag in Wellington

 

Vandaag is het Waitangi Day in Nieuw Zeeland, een nationale feestdag. Op deze dag wordt het verdrag herdacht dat 6 februari 1840 werd ondertekend; de stichtingsoorkonde van Nieuw Zeeland. Het is een overeenkomst tussen de Engelse regering en de Maori, waarin de Maori koningin Victoria het recht gaven land te kopen waarvoor zij in ruil alle rechten en plichten van Britse onderdanen ontvingen. Er ontstonden misverstanden omdat er zowel een Maori als een Engelse versie van het verdrag was met verschillende betekenissen. Tot op de dag van vandaag wordt hierover gebakkeleid. Het NZ7 rugby toernooi met bijbehorend carnaval wordt vandaag ook nog volop gevierd. Wij zijn vanuit het hotel naar de Government Buildings gelopen, gebouwd in 1876. Het is volledig opgetrokken uit inlands Kauri hout, zeer hard hardhout. De overgebleven Kauri bossen zijn nu volledig beschermd. Het lijkt van een afstand een perfect stenen gebouw, maar we hebben het gecontroleerd: het is inderdaad helemaal van hout!

Vandaaruit verder gelopen naar Queens Wharf waar het feest van NZ7 nog volop verdergaat. Het is heel gezellig langs de kaai, met veel houten cafés’s die er allemaal heel goed uitzien. Alle terrassen zitten vol met rugby supporters, allemaal verkleed. We verbazen ons over de activiteiten van de Nieuw Zeelandse jeugd, het woord ‘hangjongere’ zal hier niet uitgevonden zijn. Ze verzinnen van alles: flinke steigerplank op de kaai en in het water springen of duiken, in een grote plastic bal kruipen en dan over het water lopen, in een snorkelonderzeeertje door de haven varen, en een soort apenkooien voor 18 jarigen. Alles vriendelijk, relaxed en de troep neem je mee. Ondanks de aanwezigheid van zoveel uitgelaten rugbyfans ligt er geen rotzooi: geen flesje, geen blikje, geen plastic zak, helemaal niks. Moet je na vastenavond door Bergen lopen…

Terug in het hotel werden we opgehaald door Cees van Weele, een oud-Cargill collega van Pieter die een aantal jaar geleden naar Wellington is geëmigreerd. Hij nam ons mee naar oude verdedigingswerken op een top boven Wellington van waaruit we een geweldig uitzicht hadden over de stad. Daarna nam hij ons mee naar zijn huis waar zijn vrouw met een BBC zat te wachten. Ze wonen in de buitenwijken van Wellington in een van die schitterende oude Engelse houten huizen met erkers en veranda’s. Het huis is van 1917 en ook binnen helemaal afgewerkt in Nieuw Zeelands Kauri hardhout. Je kunt er geen spijker inslaan volgens Cees. Op de BBC natuurlijk heerlijk NZ lamsvlees, garnalenspiesen en spiesen van kip met rauwe ham. Heerlijk! Lekker buiten op het door Cees zelf gebouwde terras tegen de heuvels, met uitzicht op de baai. Allison, Cees’ vrouw, wil niet naar Nederland verhuizen, en ik kan me goed voorstellen dat Cees ook Down Under blijft! Ze hebben ons nog meegenomen naar het Nationaal Museum (Te Papa). Een heel mooi, groot en ruim museum, waarbij ook gedacht is aan kinderen. Die vervelen zich niet, we hebben zelfs virtueel ‘gebungeejumped’. Ik ben nog misselijk en dat is niet handig: we gaan zo dineren in Logan Brown, een restaurant dat al jaren nummer twee op de lijst van beste eetgelegenheden in NZ staat.

 

Groet

Pieter en Annemieke

 

Zondag 7 februari, Wellington-Whakapapa

 

Om kwart over acht rijden we uit het Bolton hotel weg met twee gejatte appels van het ontbijtbuffet. Het eten is zo onvoorstelbaar goed in Nieuw Zeeland dat we vrezen per week zeker 1,5 kilo te groeien. We rijden door de buitenwijken van Wellington waar alle huizen tegen de heuvels zijn aangebouwd. Allemaal van die mooie houten huizen in lichte kleuren geschilderd; met erkers, veranda’s, houtsnijwerk en schitterende tuintjes. Heb me door een mederallyer laten vertellen dat er destijds wel 400 prive-tandradbaantjes in Wellington waren voor de mensen die niet omhoog wilden lopen maar wel een huis wilden met uitzicht op de baai!

Wellington uit rijden we over de snelweg en dat is op zich best bijzonder, want zoveel autobaan is er niet in NZ. Wat ook bijzonder is hier, zijn de vele eenbaansbruggen. Soms rijd je op een vrij grote, brede verbindingsweg, wordt de weg ineens versmald voor een smal bruggetje om daarna weer over te gaan in een brede ‘snelweg’. Schrok de eerste keer nogal!

In Paraparaumu stoppen we bij het Southward Car Museum: een particuliere autoverzameling met (onder heel veel andere) 3 Eenden! Ze loopt trouwens weer super met haar nieuwe dynamo. We rijden verder naar het Noorden en rijden door vlak land waar veel gehooid wordt en we ook maïs zien staan wat we eerder nog niet gezien hadden. We denken dat hier veel Nederlandse boeren zijn neergestreken, het ziet zwart-wit van de melkkoeien. Koppels van zo’n 100 stuks lekker samen in de wei. We zien zelfs een echte windmolen met een Nederlandse vlag.

Dan passeren we het dorpje Bulls, waar de bevolking er een sport van heeft gemaakt om passende namen voor hun winkel te verzinnen: een outlet-shop heet ‘afford-a-bull’, de kerk ‘forgive-a-bull’ en de garage ‘reli-a-bull’. Hardop uitspreken, anders valt het kwartje niet!

Vanaf Whanganui rijden we langs de gelijknamige rivier, over een prachtige weg die gedeeltelijke geasfalteerd is. Geen betere auto voor gravel dan een Eend, dat doet ze echt fantastisch! Zelfs de wasbordellende en het hele groffe gravel pakt ze goed op, je merkt er op de voorbank eigenlijk niet veel van. We passeren Maori dorpjes met klinkende namen als Atena (Athene), Koriniti (Corinthie) en Hiruharama (Jeruzalem). Missionarissen zijn toch wel ’n beetje vreemd… De Marae (zeg maar dorpsplein van de Maori) van Atena schijnt de mooiste te zijn, maar als Pieter gaat vragen bij het nabijgelegen huis of we het mogen bezoeken, krijgt hij nul op het rekest. Ik krijg hetzelfde gevoel met de Maori als jaren geleden met de Indianen in de USA. Vadsig, dik en lui. Ze maken er een grote zooi van! Bij deze nederzettingen ook autokarkassen, oud ijzer en hout en alles verspreid over hun terrein. Volgens mij is het gras alleen gemaaid vanwege Waitanga gisteren anders konden ze hun Marae zelf niet vinden.

Toen we in ons hotel aankwamen zijn Pieter en ik een stukje gaan wandelen door het Tongariro National Park aan de voet van de vulkanen Ngauruhoe, Tongariro en Mount Ruapehu (2800 m hoog). Er liep een schitterend wandelpad door de hei die op sommige plaatsen echt manshoog is.

Groet

Pieter en Annemieke

Maandag 8 februari, Whakapapa-Auckland

 

Om kwart voor acht uit het nepkasteel in Whakapapa weggereden. Het schijnt hier in de winter helemaal vol te zitten met wintersporters. Hebben gisteravond stiekem in het skihok gekeken, maar daar lag van alles in opgeslagen nu, toen het zwembad bekeken en ons rot gelachen. Dit gebouw is waarschijnlijk heel luxe in de jaren 50 weggezet: het zwembad was een blauwe betonnen kuip waar je in moest ‘kruipen’, tussen het wateroppervlak en het plafond was nog 60 cm ruimte!

We rijden verder naar het noorden met als eerste stop de Waitomo kalksteen grotten. Waitomo is Maori voor ‘water loopt door een gat de grond in’. Hoewel de Maori van het bestaan van de grotten afwisten, duurde het tot 1887 tot stamhoofd Tane Tinorau zich door een Engelse ontdekker liet overhalen de grotten in te gaan. Zij ontdekten de gloeiwormen in de grotten en vanaf 1889 zijn de grotten open voor publiek. Sinds een aantal jaren zijn de grotten weer in handen van de Maori die ze ook exploiteren. Onze gids was (uiteraard!) een kleindochter van Tinorau. Ze zullen er wel een aardig inkomen aan hebben; ze verwachtten vandaag 1500 bezoekers, die vrijwel allemaal besproken hadden. Gelukkig waren we vroeg en mochten we met een groep van 10 personen naar binnen. De grot stelt op zich niet veel voor, wel een lekkere constante temperatuur van zomer en winter 15 graden, maar ik heb veel mooiere druipstenen gezien. De gloeiwormen maken het echter helemaal goed! Onze gids nam ons mee naar een laag boven het water hangende rots en deed daar licht aan: honderden fonkelende draadjes. De larve van de spinachtige arachnocampa luminosa maakt een web in de vorm van lange dunne kleverige draden die loodrecht naar beneden hangen op een totaal windstille plaats. Doordat de larve zelf licht geeft trekt hij insecten aan uit de rivier die blijven plakken in de draden. Die hijst hij op en voedt zich. Het larvale stadium duurt 9 maanden, waarbij de larve groeit van 3 mm tot 4 a 5 cm. Geheel getrouw aan toeristen werden we daarna naar een bootje gebracht en ging alle licht uit. Aan kabels aan het ‘plafond’werd het bootje voortgetrokken door de gids en dus dreven we zonder geluid door de gangen naar buiten onder een onvoorstelbare sterrenhemel van duizenden gloeiwormen. Er mocht niet gefotografeerd worden dus ik heb geen bewijs, maar neem maar aan dat we sprakeloos waren. Deze gloeiwormen zijn in Nieuw Zeeland te zien en op een aantal plaatsen in Australië.

Terug in de auto reden we verder door King Country, dat zijn naam dankt aan King Tawhiao, een Maori leider die tijdens de oorlogen met de Engelsen zijn hoed op een landkaart heeft gelegd en verklaard dat alle grond onder zijn hoed eigendom was van Maori. Tot 1883 heeft zijn uitspraak stand gehouden. Mooi heuvelachtig gebied, ontsierd door slecht onderhouden Maori-boerderijen met de gebruikelijke autokerkhoven en andere troep.

We maken een kleine omweg naar de Bridal Veil Falls, een heel mooie waterval van 55 m diep. Het is niet de hoeveelheid water die naar beneden stort die het mooi maakt, maar de plaats. Bovenaan de waterval kijk je uit over een niet al te groot oorspronkelijk bos in een kom in de bergen waarin de waterval, hooguit een meter breed, in een gat dendert van hooguit 10 meter doorsnee. Met al dat groen eromheen een prachtig gezicht. Er is een mooi wandelpad met uitkijkpunten van boven tot onderaan de waterval gemaakt, zodat ook pa en Els de tocht ondernemen. Zij zijn trouwens de gloeiworm grotten voorbij gereden: er stonden zoveel bussen dat ze dachten dat Jingers wel een minder toeristische plek zou hebben gevonden. Gelukkig kunnen ze later in de rally nog wel ergens gloeiwormen bekijken!

Na nog een aantal prachtige gravel kilometers komen we op Highway 1 die ons in no time naar het centrum van Auckland brengt. We slapen in het Westin hotel een schitterend ontworpen gebouw met veel licht en water. Je kunt hier zelfs met je boot naar binnen: er is een eigen sluisje zodat je je jacht aan een eigen steigertje kunt aanleggen en zo je kamer inloopt!

Groet Pieter en Annemieke

Dinsdag 9 februari, Auckland-Paihia

 

Vanmorgen om kwart voor acht vertrokken uit Auckland. We hebben niks van de stad gezien, behalve dan de toren vanuit de auto en de brug over de haven, waarlangs we de stad verlaten. Meestal zie je die wel op TV met oudjaar, hier vieren ze tenslotte een halve dag eerder het nieuwe jaar. Auckland heeft overigens bijna 1,1 miljoen inwoners, een kwart van heel Nieuw Zeeland.

We hebben lang over de snelweg gereden, waar je je overigens niets bij moet voorstellen. Rond Auckland twee keer tweebaans, maar al snel gewoon een tweebaans weg. Wel super geasfalteerd. Aan de weg werken doen ze hier trouwens graag, we hebben nog geen dag gereden zonder over nieuwe slijtlagen te moeten. Dat is de eend aan te zien: in haar rechter voorspatbord zitten kleine bobbeltjes van grit dat tegen de binnenkant slaat.

We zijn gestopt aan de oostkust in de Bay of Islands in het plaatsje Russell, waar vandaan vroeger de walvisvloot uitvoer. Het schijnt toen een verdorven oord vol dronkemannen geweest te zijn; the hellhole of the pacific. Nu is het een slaperig kustdorpje waar we aan het water hebben zitten picknicken. Een groepje meeuwen hield ons gezelschap in de hoop dat we wat voor ze achterlieten. Dat deden we ook en we hebben vastgesteld dat meeuwen geen alleseters zijn, maar echt proeven. Brood en muffins lusten ze graag en toen we moeder en kind meeuw een stukje pepersalami voerden, pikten ze dat ook meteen op. Binnen een paar seconden vlogen ze echter naar het water om hun snavel te spoelen en voor een tweede stukje salami pasten ze beide!

Net voor Russell hadden we nog een heel mooi stukje nieuwe gravelweg, dwars door een inheems bos door de heuvels. Halverwege kwamen we een camper tegen die een beetje moeilijk deed en probeerde om te keren op dat smalle bergweggetje. Er lag een boom over de weg. Alweer! Gelukkig was deze op de hoge wal langs de weg blijven hangen zodat we er mooi onderdoor konden. We slapen vannacht en morgen in Paihia, morgen echt ‘vakantie’!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Woensdag 10 februari, Paihia rustdag.

 

Vanmorgen om 9 uur aan boord gegaan van een catamaran die ons door de Bay of Islands neemt. Er zijn hier 144 eilanden, die alleen ‘eiland’ heten als ze enige vorm van begroeiing hebben. De meeste zijn onbewoond en hebben fantastische zandstranden die voor iedereen vrij toegankelijk zijn, dat is bij de wet zo bepaald. Er zijn hier ook een aantal privé-eilanden in de baai, maar ook daar moet je op het strand worden toegelaten. Het zal geen problemen geven: er zijn hier geen Loosdrechtse Plassen taferelen. We zien helemaal niemand op de stranden. Wel komen de bottlenose dolphins ons bezoeken. Tuimelaars dus, van het type ‘flipper’. Die zijn een stuk groter dan de Hectors die we eerder zagen. En snel zijn ze ook: ze zwemmen met vijf gelijk naast en onder de boot met ons mee, ook als de schipper vaart maakt. Alle dolfijnen zijn beschermd in Nieuw Zeeland en ze mogen niet meer in gevangenschap gehouden worden. De laatste dolfijn in een zeeaqarium in Nieuw Zeeland is in 2004 overleden. De dolfijnen mogen niet gevoerd worden en niet aangeraakt. Verder mag er niets gedaan worden wat hun natuurlijke gedrag zou kunnen beperken. We zien ze dus puur natuur en dan springen ze ook uit het water! Verder zagen we enorme scholen vissen onder het oppervlak zwemmen, maar de engelse namen maakten me niet duidelijk om welke vis het ging. Rond 14 uur waren we terug in ons hotel waar we vakantie hebben gevierd op ons balkon met een goed boek, een luie stoel en uitzicht op zee. Het is niet uit te houden in de zon, je verbrandt hier echt levend! Toch is de temperatuur wel aangenaam, niet extreem warm, misschien 26 graden.

Morgen gaan we lachen op de Ninety Miles Beach!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Donderdag 11 februari, Paihia-Opononi, 416 km

 

Om 7 uur vanmorgen aan de ontbijttafel, we gaan vroeg weg omdat we absoluut over het strand willen! Blijkbaar denkt iedereen er zo over, want op Jingers, Valeria (administratie), Veronica (fotografe) en Terence (dokter) na, zitten we allemaal aan tafel!

Vanuit het hotel maken we een klein omweggetje om over het schiereilandje te rijden waar Waitangi ligt, de plaats waar het verdrag tussen Maori en Engelsen werd ondertekend en waar ik al eerder over vertelde. Uiteraard weer een  Marea en een enorm grasveld.

Verder naar het noorden rijden we langs Kerikeri en hier worden die lekkere sinaasappels gekweekt die we overal tijdens het ontbijt kunnen eten.

Onderweg komen we weer veel dode Opossums tegen. Ik kan ze niet mooi vinden met die rattenkop. Heb in winkels al wel bont van ze gezien en dat is echt heel dik en zacht. Op Banks Peninsula, waar Jingers woont, heeft een jager afgelopen winter 8000 van deze dieren geschoten die allemaal onderzocht zijn. Er zat er niet een tussen met TB! Wel veel inlegzooltjes trouwens, want zo wordt de vacht onder andere verkocht.

Langs de weg zien we ook veel Pukeko’s, blauwzwarte vogels met rode snavel en enorm lange rode poten. Ze doen me een beetje denken aan een fazant, kleiner en eleganter, maar ook van die onbeholpen vliegers. Ze rennen liever het struikgewas is bij onraad, ik heb ze nog niet op de foto.

Langs de oostkust van het schiereiland in het noorden van het Noordereiland stoppen we bij de Gumdiggers. Rond 1814 zagen Europese handelaren markt voor het hars van de Kauri boom. Deze boomsoort uit de Agathis familie komt alleen in Nieuw Zeeland voor en is groenblijvend. Bij beschadiging van de bast produceert de boom hars, zoals dennen bij ons. Het hars stolt en valt in klompen op de grond, waar het wordt begraven door bosafval. Na honderden jaren in de grond verhardt het hars tot barnsteen. Dat was echter niet de reden voor de handel, het verse hars was een geweldig ingrediënt voor vernis. Het hout van de Kauri was echter ook gewild, zeer hard hout, heel Wellington is ervan gebouwd. Er bleef dus al rap nauwelijks nog bos over. Toen bleek dat op het Noordereiland veel oudere Kauribossen waren die door onverklaarbaar natuurgeweld (tsunami is de meest logische verklaring) allemaal een tot twee meter diep begraven liggen, werd dat het terrein van de Gumdiggers. Tussen 1870 en 1920 werd er in veel moerrassen gegraven en hars geoogst van de bedolven Kauri’s. Rond de eerste wereldoorlog stopte deze industrietak.

Vandaag rijden we naar het noordelijkste puntje van het Noordereiland: Cape Reinga. Te voet lopen we naar de vuurtoren op kaap Maria van Diemen, je komt hier steeds Nederlandse namen tegen. Wat prachtig om te zien is, dat hier de Pacific Ocean en de Tasman Zee op elkaar botsen. Je ziet een enorme halve cirkel over het water lopen en golven lopen kriskras door elkaar. Als het hier spookt, klappen de golven wel tien meter hoog tegen elkaar aan, maar vandaag is het rustig en zelfs dan je zie je het gevecht. We lopen terug naar de auto om over 25 kilometer het hoogtepunt van vandaag te aanschouwen: Ninety Miles Beach.

Bij Te Paki rijden we naar het westen om in de verte de duinen te zien liggen. Langs deze enorme zandhopen moeten we naar het strand. Onze timing is perfect: het water is zo laag dat de stroom die om de duinen loopt ver is opgedroogd. Langs de kant van het duin kan onze eend door het water; een uur eerder was dat niet gelukt horen we later op de dag. Toen stond er nog 70 cm water in de kreek.

Er staan nergens wegwijzers maar wel een groot waarschuwingsbord: twee uur voor en na hoog water wordt het afgeraden het strand op te gaan: al meerdere auto’s zijn door de zee verzwolgen… Gelukkig houdt het tij rekening met onze vakantie: om kwart over drie laag water! We dwalen tussen de duinen door de kreek en komen dan op het strand, een onvergetelijk gezicht en ervaring. 90 mijl is overdreven, maar 60 mijl is het strand wel, dus een goede 90 km. In het begin zijn we voorzichtig en blijven we hoog boven aan de vloedlijn, maar als we Jim Carr met zijn oranje Range Rover aan zien komen, durven we. We rijden de eend de branding in! Wat een ervaring!

We gaan los en racen over het strand, 90 km per uur, soms lijkt het een Fata Morgana en schijn je verderop de zee in te rijden. We zijn helemaal alleen, Jean Steinhauser met zijn Mustang is ver voor ons en Jim is met zijn Range Rover in de duinen aan het spelen. Wat een onmetelijke ruimte voor en achter je. Moederziel alleen op het strand. Niet voor te stellen in de tweede helft van augustus in Scheveningen of Renesse. Er komen ons in totaal vier auto´s tegemoet en we zien welgeteld zes mensen lopen. We zijn er de rest van de dag stil van en komen om kwart voor vijf in Opononi aan.

Groet

Annemieke en Pieter

Vrijdag 12 februari, Opononi-Auckland

Na de fantastische ervaring van gisteren rijden we terug naar zuiden, terug naar Auckland. Wij zijn niet zo van de stad, dus neem we de lange route die ons door de overgebleven Kauri-bossen voert. We stoppen om op zoek te gaan naar de grootste Kauri-boom die nog rechtop staat. Een schitterend wandelpad voert ons erheen. We moeten nog eens rustig terug naar Nieuw Zeeland, je kunt hier dagen wandelen met de mooiste voorzieningen. Zelfs overnachten in trekkershutten is mogelijk.

We lopen door oorspronkelijk bos en zo’n oerwoud is op zich al een belevenis: je ziet door de bomen het bos niet! Gelukkig staat het aangegeven, maar anders hadden we hem ook niet gemist denk ik: Tane Mahuta, De God van het Bos, staat al 1500 jaar te schitteren met zijn 17 meter omvang. Wat een boom! En dan te weten dat hier begin 1900 100 Kauri’s per maand werden gekapt en afgevoerd voor het hout. Waarom is deze Heer gespaard gebleven? Wij denken dat hij simpelweg te groot was om te kappen. Op een boom van 12 meter omvang werd tien uur gezaagd en we hebben foto’s gezien dat 8 paarden een stam van 4 of 5 meter lengte met veel gesjouw van zijn plek getrokken kregen. Tane Mahuta was gewoon te dik! We passeren in de eend nog meer grote jongens maar mijn groothoeklens is te klein om de reuzen er in het geheel op te krijgen.

We rijden verder zuidwaarts door boerengebieden waar we weer veel Hollands melkvee zien. Tot voor twintig jaar geleden waren er per hoofd van de bevolking van Nieuw Zeeland minstens twintig schapen, maar dat aantal is flink gedaald en rundvee neemt dat over. In deze gloeiende heuvels graast het vee terrassen tegen de hellingen aan. We zien hier ook Jacobskruiskruid groeien. Nog niet zo erg als bij ons, maar het is zeker uit Europa meegebracht. Arme boeren! Op die paar hectaren van ons is het al nauwelijks uit te roeien…

Vanavond eten we in de Orbit Sky Tower in Auckland. Het is helder en het plateau van het restaurant schijnt te draaien: zien we toch nog wat van de stad!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Zaterdag 13 februari, Auckland-Rotorua

 

Via State Highway 1 vanmorgen om kwart over 8 vertrokken uit Auckland. Gisterenavond hebben we gegeten in de Sky Tower in het Orbit Revolving Restaurant. Het eten was het minste tot nu toe, maar we worden dan waanzinnig verwend. Het uitzicht was uiteraard wel fantastisch omdat het restaurant op 190 meter hoogte 360 graden draait in een uur. We hebben Auckland dus niet te voet verkend, maar wel vanuit de lucht bekeken!

Twintig kilometer buiten de stad gaan we de snelweg af richting het zuiden en Rotorua. Onderweg stoppen we bij de Karangahake Gorge. In deze heuvels werd tussen 1852 en 1918 goud gedolven. In 1889 ontdekten ze een manier om het goud beter aan het erts te ontrekken met behulp van Cyanide. De Talisman Consolidated Gold Mining Company  haalde in totaal 85000 kilo goud uit de berg. Daarvoor werd wel 12 kilometer aan tunnel gegraven en stond er een fabriek waar je U tegen zegt. Het erts werd met door paarden getrokken karretjes over rails uit de mijnen gesleept. In de fabriek stonden meer dan 150 crushers om het erts tot kleine brokken te stampen. Er zijn alleen nog resten over van de gebouwen, maar de oppervlakte is echt immens.

Inmiddels zijn we in Rotorua aangekomen, een gebied met veel bronnen en geisers Als je de stad in rijdt word je een beetje onpasselijk: een echte rotte eieren lucht. We zijn hier nu een uurtje en het begint gelukkig te wennen, want we blijven hier morgen ook!

 

Groet

Pieter en Annemieke

 

Zondag 14 februari, rustdag in Rotorua

 

Toen we gisterenmiddag in Rotorua aankwamen en naar ‘de stad’gewandeld waren, had ik echt het gevoel dat dit zonde van de tijd was. Met vlagen stonk het vreselijk en Rotorua is een uitgewoond gat, vol verlopen hotels en motels. We hadden een enorme suite in ons hotel, konden echt verstoppertje spelen, maar wat een gare aftandse boel. En overal stank!

We hadden dus eigenlijk helemaal niet zo’n zin in vandaag, maar goed je bent in Nieuw Zeeland, dus je maakt er wat van.

Het besluit is gevallen om eerst naar Lady Knox Geiser te gaan. Deze dame schijnt om 10.15 uur in werking te komen. Knap dat dat iedere dag lukt… Als we het parkeerterrein oprijden worden we verzocht eerst een kaartje te gaan kopen in het visitor centre. We hebben nog tijd zat, verteld de vriendelijke parkeerwacht. Hoe weet jij dat nou, denk ik nog in mijn onschuld, kun je daar de klok op gelijk zetten? Pieter terug om kaartjes, ik alvast bij de ingang, zie ik misschien iets als het spektakel te vroeg begint. Gelukkig is Pieter op tijd terug en lopen we naar Lady Knox die staat te roken voor een compleet amfitheater met bankjes. Hoezo toeristisch?! Dan komt de klapper om 10.10 uur. De parkeerwacht is ook verteller van Lady Knox’ verhaal! En hij vertelt een prachtige geschiedenis op een manier die niet doet vermoeden dat hij dat iedere dag doet. Knap!

De geiser werd in 1896 ontdekt door gevangenen die in een werkkamp een naaldbos aan het planten waren. De warm waterbron was een geweldige vondst om zichzelf en hun kleren in te wassen. Tot ze gebruik maakten van zeep: doordat daardoor de oppervlaktespanning van het water verminderd komen stoom en water uit de ventilatieschacht van de geiser met als gevolg een eruptie van 10 tot 20 meter hoog. Tot 1931 spoot de geiser iedere 24 tot 25 uur spontaan, maar sinds die tijd wordt ze om 10.15 uur geholpen voor de bezoekers. Het is dus de parkeerwacht die de ‘zeep’ in de geiser gooit! Ze houdt het overigens wel bijna een uur vol, afhankelijk van het waterpeil. We gaan dus ook het Wai-o-Tapu park in, dat zo’n 18 vierkante kilometer beslaat waarvan een klein gedeelte open is voor publiek. De waterafvoer van alle geweld loopt via de Wai-o-Tapu stroom waarin geen vis kan leven vanwege de vele chemicaliën uit de kokende bronnen. Het is wonderlijk om alle kraters en gaten in de grond te zien en vooral zoveel verschillende kleuren zo dicht bij elkaar. Geel en roze van zwavel, oranje van antimonium, zwart (koolstof), wit van silicium, paars (mangaan) en groen van arsenicum. We zien ploffende modderpoelen, overal stoom, een groengeel gekleurde plas alsof iemand een tankwagen verf geloosd heeft. Olie op zwart water, gele schoorsteentjes en een oranjerand aan een champagneplas. Het waait en beurtelings voelen we koude wind en warme stoom; een ervaring om nooit te vergeten. Overigens moet mijn vader natuurlijk weer in alle poelen voelen, Soms koud, soms lauw maar een keer verbrandt hij zowat zijn vinger: er zijn bronnen van 74 graden C.! Overigens kan ik Michel Herbers als juwelier aanbevelen. Mijn witgouden arband is inderdaad van goud en blinkt nog, mijn zilveren armband is na twee uur zwaveldamp helemaal bruin verkleurd!

We zijn er zo van onder de indruk dat we daarna een dierenparkje inlopen -overigens schitterend aangelegd- en tuatara’s, gekko’s, tui’s en kea’s zien en weer een kiwi in het donker.

’s Avonds gaan we naar Tamaki Maori Heritage Village, een (nagebouwd) Maori dorp, waar ze ons Maori cultuur proberen bij te brengen en we Hangi  krijgen, traditioneel Maori eten uit een oven in de grond waar het eten op hete stenen in een doek gewikkeld gaar wordt.

Deze Maori familie had het goed voor elkaar: We werden met eigen bus en chauffeur opgehaald, de jongere leden dansten en zongen en de rest werkte in het restaurant of de keuken. In drie uur tijd gingen er 4 bussen doorheen…

Groet

Pieter en Annemieke

Maandag 15 februari, Rotorua – Napier, 328 km

 

We vertrekken om kwart voor acht uit Rotorua, blij dat ik dit verlopen gat kan verlaten, maar nog blijer dat ik deze wonderlijke pruttelpotten van de aarde heb gezien.

We rijden in zuidwestelijke richting door het aangeplante naaldbos. Er loopt een kaarsrechte weg doorheen. Het Kaingaroa-bos is het grootste ‘nep’bos van Nieuw Zeeland en beslaat ongeveer 250.000 ha. Afwisselend zien we percelen volgroeide bomen, jonge aanplant en halfwassen plantages. Dit bos levert jaarlijks 1,5 miljoen kubieke meter hout. Vrachtwagen combinaties rijden af en aan, waarbij een lege combinatie de aanhanger op de motorwagen heeft geladen. Vanuit dit bos rijden we een enorm natuurlijk bos is om af te dalen naar het Waikaremoana meer. De weg is prachtig. Een gravelweg die soms heel smal is, maar helaas is het miezerig en moeten zelfs de ruitenwissers van de eend aan het werk. Het uitzicht is dus ook niet wat het zou kunnen zijn op een heldere dag en we krijgen het meer nauwelijks te zien.

Uiteindelijk komen we in de buurt van Napier en klaart het op. Hier zien we weer wijngaarden die in de jaren 80-90 rond Napier zijn aangelegd. Napier zelf werd in 1931 getroffen door een zware aardbeving gevolgd door heftige branden. Het hele centrum werd vernield, maar niet ons hotel uit 1909. De stad is helemaal in Art Deco stijl teruggebouw met als een van de pronkstukken ons hotel. Het was een kantoorgebouw en is in 1993 helemaal gerestaureerd en als hotel ingericht. Alle kamers zijn dus anders, die van ons heeft een schitterend art deco raam achter het bed. In de stad hebben de winkels niet alleen art deco gevels, maar ook het interieur is in stijl. Onze eend staat voor het hotel op de parkeerplaats, ze heeft net nieuwe motorolie gekregen. Uiteraard waren ze in het Mobil-tankstation onmiddellijk bereid te helpen: iedereen is gek op dat rode autootje. Je wilt niet weten hoeveel foto’s van de 2CV [toe sie vie…]worden gemaakt. Vooral in Japan zal ze binnenkort wereldberoemd zijn!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Dinsdag 16 februari, Napier-Martinborough, 322 km

 

Vanmorgen laat vertrokken, Pieter was vannacht niet helemaal fit en dat is een behoorlijk understatement. Na een stuk of 5 paracetamollen is hij weer enigszins in staat zichzelf voort te bewegen en rijden we weer verder naar het zuiden. Het is onze laatste dag op het Noordereiland, morgenochtend nemen we weer de Interislander naar het Zuidereiland.

Als we Napier uitrijden rijden we kilometerslang door boomgaarden. Er worden hier enorm veel appels gekweekt, ook voor de west Europese markt. We stoppen in Waipawa, een dorpje dat dit jaar 150 jaar bestaat en waar het Settlers Museum is gevestigd. Een uitstalling van gebruiksgoederen uit het begin van vorige eeuw, alles netjes gerangschikt van huishoudelijk tot allerlei beroepen. Zelfs de tandarts met zijn martelwerktuigen ontbreekt niet. Die zit gelukkig vlakbij de uitgang, ik sta zo buiten…

Verder in zuidelijke richting rijden we tussen de heuvels door typisch landelijk Nieuw Zeeland. Hier worden nog echt veel schapen gehouden, zo’n 3 miljoen in de 20 km rondom Masterton. Ze lopen tegen de heuvels in enorme groepen. We zien ook weer clubjes kalkoenen die hier verwilderd zijn.

Het is vandaag schapen verzameldag: we raken weer verstrikt in een kudde schapen die verweid wordt en overal worden schapen geschoren.

In Wimbledon, een ‘dorp’ van 67 inwoners stoppen we om wat te drinken. En jawel: weer een Nederlandse eigenaar. Rob de Visser woont al 19 jaar in Nieuw Zeeland en heeft in zijn leven de hele wereld rondgezworven. Deventer, Haarlem, Australië, Nieuw Zeeland, maar ook de Holland-Amerika lijn als bakker.

We zijn nu in Martinborough en slapen met de wijngaarden letterlijk voor de deur!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Woensdag 17 februari 12.00 uur te Huijbergen

Hier in Nederland is er nog niets aan de hand...

Maar in Nieuw Zeeland kan het feest beginnen!

 

Annemieke 50 jaar!

Zaterdag 20 februari, Abel Tasman National Park

Al een paar dagen hebben we geen mogelijkheid gehad om te mailen, dus ook niet om te kijken...

Het bovenstaande bericht moet dus door iemand anders op de site zijn geplaatst.

Ik vermoed degene die me om 12 uur 's nachts uit bed belde, voor haar twaalf uur 's middags!

Donderdag 18 februari, rustdag in Raetihi

 

Afgelopen nacht om 12 uur had Dominique de primeur om me te feliciteren. Eigenlijk niet slim om naar Nieuw Zeeland te gaan: nu ben ik een halve dag eerder 50! Ik hoopte hier onder het Sarah gedoe uit te komen, maar dat is niet gelukt. Bij het ontbijt staat er een versierde stoel klaar en hangen er overal Sarah-balonnen, Sarah-vlaggetjes, een Sarah-masker en Sarah plakaten. Had Pieter mee van huis genomen en hebben Pa en Els met hulp opgehangen! Gelukkig is het een klein hotel en is onze groep ook niet zo groot, want ik ontkom niet aan de felicitaties…

Als verrassing heeft Pieter een wandeltochtje in gedachten, met een lunch in de rugzak. We worden door een watertaxi de Kenepuru Sound overgezet naar Te Mahia om vandaar uit een stuk van de Queen Charlotte Track te gaan lopen naar Portage. Wat hij, en ik dus ook, niet wist is dat we boven over top van de berg lopen die de Kenepuru van de Queen Charlotte Sound scheidt. Van zeeniveau stijgen we naar 400 meter, maar het uitzicht is fantastisch. We kunnen soms in beide Sounds gelijk kijken. We komen een amerikaanse mountainbiker tegen die het al na een paar honderd meter opgeeft, hij gaat terug naar het asfalt. Ik vind het te voet al nauwelijks te doen, laat staan met een fiets! We gaan echt in haarspeldbochten omhoog, en dat op onze gympen. De paar wandelaars die we tegenkomen zijn allemaal uitgerust met een paar stevige bergschoenen! Wij denken natuurlijk dat we nu lekker bovenop die berg blijven lopen tot Portage, zo´n 8 km verder. Nee dus… We moeten nog een keer helemaal naar beneden en terug omhoog. Leuk verjaardagscadeautje! Op de tweede top nemen we het ervan en pakken de rugzak uit. Twee flesjes champagne, heerlijk warme broodjes, sandwiches, appels, sinaasappels, compleet met glazen, borden en bestek. Dat maakt alles goed. Eigenlijk zijn we nauwelijks nog in staat om te lopen en gelukkig dalen we alleen nog maar. Na drie en en half uur komen we in Portage aan bij een Lodge waar we nog een uurtje op de watertaxi moeten wachten. We zitten goed en wel binnen of het begint te gieten! Das goed meegedacht daarboven, met dank!

We zien nog een stukje van de Winterspelen op een scherm in het cafe. Dat ontgaat ons hier helemaal, we krijgen er niks van mee.

Terug in ons hotel laat Jean Steinhauser ons een DVD zien van de rally Peking-Parijs, door Mongolie. Das pas afzien, dan heeft onze eend -er rijdt een gele in die rally mee- het hier maar gemakkelijk. Maar Pieters enthousiasme voor dat soort rally´s groeit en hij is in gedachten onze rooie al helemaal aan het preparen.

Na een heerlijk diner, compleet met verjaardagstaart met kaarsjes, gaan we slapen, waarbij ik ´s nachts nog meer sms´jes krijg. Das dan weer een voordeel van Nieuw Zeeland, mijn verjaardag duurt lekker anderhalve dag!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Vrijdag 19 februari, Marlborough Sounds-Abel Tasman National Park

 

Rond acht uur vanmorgen weggereden uit Raetihi Lodge in westelijke richting. Het eerste anderhalf uur rijden we dezelfde weg als twee dagen geleden: helemaal langs Kenepuru Sound terug naar Linkwater en vandaar naar Havelock. In Kenepuru Sound worden Green Lip of Greenshell Mossels gekweekt in hangcultuur. Gisterenavond hebben we er een paar gehad tijdens het eten. Daar zijn jumbomossels kleine jongens bij! Ze zijn veel steviger als ‘onze’mossels en hebben een groene rand langs de schelp. Even wennen, maar wel lekker! Havelock is het centrum van de handel in deze mossels.

Na Havelock krijgen we weer een beetje rechte weg, kan de eend eindelijk weer eens doorfladderen in haar vierde versnelling. Er is vanaf hier een 4x4 weggetje dat eigenlijk gesloten is, maar een stel waaghalzen (waaronder pa) gaat ervoor. Achteraf een goede beslissing van Jingers om het ons af te raden. De Landcruisers en de Range Rover van Jim zien er niet uit als ze terugkomen. Het heeft gisteren en vannacht nogal geregend en het was behoorlijk ploeteren! Onze auto hebben we nog eens door de carwash gereden in Nelson en ze ziet er weer goed uit. Overal waar we komen hebben we contact: nu weer met een man die getrouwd is met een Nederlandse vrouw. Zijn schoonvader heeft hem het woord ‘eikel’geleerd. Pieter heeft hem toevertrouwd dat hij de goede man maar ‘klootzak’moet noemen. Ze hadden nu al dolle pret.

Even na Nelson zijn we gestopt in Stoke bij het WoW. De World of Wearable Art and Classic Car Museum. Een prachtige collectie auto´s met daarbij een collectie kleding ontworpen door kunstenaars. Zaten hele leuke dingen tussen, maar of het echt wearable was?

Van Stoke door naar Motueka, waar weer veel fruit wordt verbouwd (appels, kiwi’s, druiven) en dan naar Kaiteriteri. Daar laden we onze tassen uit en parkeren we de auto’s op een bewaakt terrein (althans dat hopen we). We stappen zo vanaf het strand, via een hydraulische loopplank van aluminium, op de catamaran die ons het Abel Tasmanpark in gaat varen naar de Awaroa Lodge. Een aantal enthousiastelingen, waaronder Els, Pieter en ik laten ons afzetten in Tonga Bay om te voet naar de Lodge te gaan. Weer een schitterende wandeling, beginnend op een prachtig zandstrand, hier door het ijzer een beetje oranjekleurig, door een riviertje en een stuk oerwoud vol varens door het moeras naar het hotel.

Hoe krijgen ze de plekken gevonden! Onze kamer, met terras, kijkt uit over het moeras. We horen vogels en natuurlijk krekels en zien geen mens.

Morgen lekker nog een dagje hier!

 

Groet

Pieter en Annemieke

 

 

Zaterdag 20 februari, rustdag in Abel Tasman National Park

 

Wat een mooie plek dit park! We hebben lekker uitgeslapen en waren nog net op tijd voor het ontbijt. De zon schijnt en de lucht is strakblauw. We maken een wandeling door het bos naar het strand en lopen naar de Awaroa Inlet. De zee stroomt hier bij hoog water 1cm per minuut het land in en we geloven onze ogen niet als we erop staan te kijken. Het ene moment steken we een kreek over met onze enkels in het water en als we een half uur later terug willen zouden we zowat moeten zwemmen! Het strand loopt heel hellend de zee in die strakblauw en ongelooflijk helder is. We lopen terug naar de Lodge halen een handdoek en gaan naar het strand. Het zwemmen is voor Pieter, mij te koud. Ik lees en verbrand… Dat gaat hier wel zo onvoorstelbaar snel!

Na nog een wandeling van een paar uur is het tijd voor de BBC, met enorme T-bones, kip, worsten en vis. Als toetje nog brownie, ijs en vers fruit. We groeien dicht!

Onze ober weet alles van sterren en laat ons na het eten het Zuiderkruis zien. Je ziet hier zoveel meer sterren dan in Nederland. Geen licht- en luchtvervuiling, je ziet zelfs diepte daar in de verte. Met zaklampen het oerwoud ingegaan, want ze hebben hier nog een ‘grot’ met gloeiwormen. Niet zo spectaculair veel als eerder op de reis, maar als je ze zelf vindt is het toch ook wel speciaal. Voor pa en Els, eigenwijs als altijd voor de rest uitgegaan, wordt het helemaal spectaculair als ze oog in oog staan met een Opossum! Het beest begint te blazen als een kat, maar als Pa terugblaast kiest hij toch het hazenpad. Als dan ook hun lantaarn nog uitvalt, is het echt spannend. Je ziet helemaal niks in zo’n oerwoud en het paadje is smal en ongelijk, maar dankzij een andere wandelaar vinden ze hun weg terug.

 

Groet

Pieter en Annemieke

Zondag 21 februari, Abel Tasman National Park-Greymouth

 

Om 8 uur zitten we op de catamaran die ons terug brengt naar Kaiteriteri en onze eend. We varen nu aan een stuk door en blijven ons verbazen over dit park. De inheemse bossen die tot aan het water doorlopen afgewisseld met echt goudgele stranden. Daarboven strakblauwe lucht en een zon die al flink haar best doet. We genieten tot en met het moment dat we aan het strand worden afgezet: twee roggen zwemmen naast onze boot mee.

Pieter en de rest worden met een busje naar de auto’s gebracht en de Eend staat er nog! Ze is wel een beetje verbolgen over zo weinig aandacht en start niet! Waarschijnlijk vochtig van twee nachten buiten. Met wat hulp slaat ze aan en kunnen we van start.

Pieter rijdt alvast; ik zoek het roadbook en zet Lady Jane voor het raam. Die begint vrolijk te kletsen en we rijden zonder op te letten weg. We zijn Motueke al weer door voor ik in de gaten krijg dat we wel erg lang op dezelfde weg rijden als twee dagen geleden. Lady Jane geeft een route aan van 1362 km terug naar Ninety Mile Beach. Heel leuk, maar niet de bedoeling. Dat wordt dus ouderwets op de kaart navigeren! Ik ben dus gedwongen tot de rechterkant van de bank vandaag! We rijden weer tussen boomgaarden door en zien daarnaast ook veel hop gekweekt. Het bier dan hier gebrouwen wordt (Steinlager en Speights oa.) smaakt volgens de kenners heerlijk, de hop ziet er ook mooi uit. In Zuidwestelijke richting rijden we naar de westkust van het Zuidereiland. Eerst langs de Motueka rivier en later langs Upper en Lower Buller River, met prachtige gorges. In de verte zien we sneeuw liggen op de Southern Alps. Ook in deze streek werd veel goud gewonnen. Tegenwoordig wordt dat illegaal nog steeds gedaan. Het schijnt dat 40% van de mijnen ongeregistreerd is. Controle is onmogelijk vanwege de dichte bebossing en het afwezig zijn van infrastructuur.

Iets ten zuiden van Westport gaan van de weg. Om benzine te tanken en een zeehonden kolonie te bezoeken. De benzine vinden we niet, de zeehonden wel!  Een groter contrast in kust tussen vanmorgen en nu is niet te vinden. Vanmorgen romantische zandstranden en rustig zeewater, hier enorme kliffen en brullende golven. Wat zoeken die zeehonden hier? Tussen de rotsen ontstaan kleine poelen waar de jonge zeehonden in liggen te spelen. Je kunt er niet dichtbij, we bekijken ze van bovenaf. Ze voelen zich dan ook niet bekeken en praten en blaffen erop los. We zien ook zeehonden in zee zwemmen en spelen. Prachtig!

Terug bij het parkeerterrein worden we opgewacht door een Weka: een bruine loopvogel die ontzettend brutaal is.

We rijden verder zuidwaarts en zien langs de weg een bord: volgende tankstation 110 km. Dat zal duwen worden… We stoppen bij Mitchell’s Gully Gold Mine. Inmiddels is de vierde generatie Mitchell aan het gouddelven. Deze niet met de schop maar pratend over goud. De mijn was in werking tussen 1866 en 1914 en van 1977 tot 1998. We hebben een rondje gelopen door de mijngangen en het waterrad gezien waarmee de crusher werd aangedreven om de brokstukken erts te vermalen waarna het in water gezeefd werd. Je kunt in de stukken zand het goudstof zien blinken.

Even voorbij de goudmijn geeft ons goudhaantje de geest: benzine op. We moeten nog 70 km en hebben 5L reserve bij ons. Dat moet kunnen! We rijden langs de kust, die hier super ruig is, verder. De golven kletsen metershoog tegen de rotsen. Er staan veel Nikau palmen, de enige inheemse palm, langs de kust. We stoppen nog een keer bij Punakaiki, waar de rotsen zijn opgebouwd uit verschillende lagen steen, hardere en zachtere. Door wind en water zijn hierdoor strakke laagjes ontstaan die nu pancake rotsen worden genoemd. Adembenemend om het water hier tegen te zien beuken. Er zijn onder de pancake formaties gaten ontstaan die enorme blowholes zijn geworden. En de eend? Die redt het natuurlijk tot het tankstation in Greymouth. We tanken voor 48 dollar (24 euro), een record deze reis!

Groet

Pieter en Annemieke

Maandag 22 februari, Greymouth-Franz Josef, 170 km

 

Vandaag rijden we maar een klein stukje zuidelijker de Alpen in naar de gletsjers. Tot Ross, ook een oud goudstadje (hier werd de grootste Nieuw Zeelandse goudklomp -2,772 kg- gevonden), rijden we langs de kust, dan gaan we landinwaarts. De Southern Alps komen in zicht: in de verte ligt sneeuw. We stoppen niet, want om half een gaan we de gletsjer op en we willen eerst even naar het hotel. 170 km is in Nederland niks, maar de gemiddelde snelheid is met al die bochtjes en een-baans-bruggetjes niet zo hoog. En klimmen doet de eend super, als ze dat tenminste in haar eigen tempo mag doen.

Ruim op tijd arriveren we in het nieuwe Te Waonui Forest Retreat Hotel. Ik zie als een berg tegen het gletsjeravontuur op. Viereneenhalf uur lopen en klimmen op een steenkoude ijsberg…

Met ons tweeën lopen we het dorpje in, dat bestaat bij de gratie van de gletsjer en daar ook zijn naam aan te danken heeft. Julius von Haast, een Duitse ontdekker aan boord van het schip Mary Louisa (1859), heeft de gletsjer naar de Oostenrijkse keizer genoemd. In het ontvangstcentrum van de Franz Josef Glacier Guides zien we uiteraard ook Jean en Anne uit Luxemburg en Terence English uit Engeland. Jean en Anne zijn echte wandelaars en Terence is een gepensioneerde chirurg van 77 jaar. Ik word al wat geruster!

Na uitleg over allerlei veiligheidszaken en de vraag wat voor kwalen we allemaal hebben (nee, ik ben niet zwanger!) mogen we het pashok in. Verplicht onze sokken en schoenen uit en wollen sokken (drie maten te groot) en super elegante waterdichte, vilt gevoerde, rubberen schoenen met veters aan. Nee, muts en handschoenen hoeven we niet, waterdichte broek evenmin en een regenjas hebben we zelf.

Dan gaan we met een man of 40 een bus in en worden we naar een parkeerplaats vervoerd. De groep wordt in drieën gesplitst. Groep 1 voor ervaren lopers, groep 3 voor kneusjes. Ik beschouw mezelf als een 3-tje als het op lopen aankomt, maar Jean en Anne willen met alle geweld Terence, Pieter en mij in de eerste groep. Onze gids zet het met zijn twaalf volgelingen onmiddellijk op een lopen. Een halve kilometer door het oerwoud en dan staan we in de rivierbedding die naar Frans Jozef leidt. Dat is dus nog tweeënhalve kilometer verder!

We hebben er flink de sokken in over de keien, wij nemen natuurlijk niet het wandelpad, naar de voet van de gletsjer die er steeds vervaarlijk komt uit te zien. Wat we zien van Franz is de 6 km die voor ons liggen, uit het zicht volgen nog 5 km. De gletsjers (voor Fox een eindje verder geldt hetzelfde) liggen maar 30 km uit de kust en dat is dan ook de reden dat ze bestaan. Warme lucht wordt uit Australië over de koude Tasman zee geblazen en botst in Nieuw Zeeland tegen de Alpen: Veel regen in het dal en sneeuw op de berg. Onze gids maakt ons wijs dat er wel 30 tot 40 meter sneeuw per jaar in het bekken boven op de berg valt. Ik kan me er niks bij voorstellen, maar ik lieg het gewoon verder. Sinds hij gids is groeit de gletsjer weer een beetje, maar volgens hem kan dat volgend jaar weer veranderen. De hoeveelheid sneeuw in de winter en de temperatuur in de zomer verklaren de cyclus. Global Warming daar doen ze in Nieuw Zeeland niet aan! We binden onze stijgijzers onder aan gaan achter hem aan. Voor ons gemak worden er iedere dag 200 treden in de voet van Franz gehakt. Via die trap gaan we steil omhoog het ijs op, dan nog een stuk met haarspeldbochten omhoog en daar staan we bovenop de ijsvlakte! Tweehonderd meter boven de rivierbedding. Dit ijs, vooraan de gletsjer, is 60 jaar geleden als sneeuw bovenop de berg gevallen. De volgende twee uur wandelen we kriskras over, door en in het ijs. We zien donkere spleten, stroompjes water en diepblauw ijs. Hier en daar liggen rotsblokken die van onderuit omhoog schijnen te komen.

Als we rond half zes terug in de bus stappen zijn we er stil van. Een ervaring die we niet hadden willen missen!

 

Groet, Pieter en Annemieke

Dinsdag 23 februari, Franz Josef-Queenstown

 

Weggereden onder een strakblauwe hemel en een laatste blik geworpen op Franz Josef Glacier om na 25 km ook even te kijken bij de Fox Glacier, waar het helaas al bewolkt was. Helaas hing de bewolking er nog toen we bij Lake Matheson kwamen, het mirror lake. Op een onbewolkte dag kun je van hieruit Mount Tasman en Mount Cook zien liggen, die gespiegeld worden in het meer. We zijn toch een stukje gaan lopen en dat meer is toch wel wonderlijk. Het water lijkt wel zwart en is rimpelloos, zodat het meer echt als een spiegel werkt.

Verder naar het zuiden komen we langs de kust bij Bruce Bay, een flinke inham, waar heel wat drijfhout en stenen aanspoelen. In navolging van bijna naamgenoot Bryce Canyon hebben mensen langs de hele baai stenen op elkaar gestapeld, maf gezicht.

Dat is trouwens toch iets wat Nieuw Zeelanders graag doen, verzamelen. We hebben al een weiafzetting gezien met wel 50 fietsen eraan vastgemaakt, of met wieldoppen van auto’s. Ik zal een foto bijvoegen van de omheining met bh’s die we vandaag zagen!

Ten noorden van Haast komen we weer terug aan de kust en we stoppen bij Ship Creek. We wandelen door een moerassig bos waar Kahikatea bomen groeien. Het is NZ grootste bomensoort, ze kunnen wel 60 m hoog worden. Het is ook het oudst bekende bomenras hier, er zijn fossiele Kahikatea’s gevonden van 100 miljoen jaar oud. De bomen kunnen dicht op elkaar groeien, worden niet extreem dik, maar groeien over het algemeen kaarsrecht vanuit het moeras omhoog. Dit bos behoort tot de oudste ter wereld en groeit al meer dan 100000 jaar op deze plek. De Kahikatea’s zitten vol kleine varens, mossen en klimplanten. Het bos is vochtig en dicht, je voelt je in een tropisch regenwoud. We lopen nog een stukje over het strand en zien de dichte begroeiing langs de weg die door de wind geschoren lijkt te zijn. Heel veel Hebe-soorten in alle kleuren groen staan dicht tegen elkaar en worden meters hoog.

We rijden over de Haast rivier die in de regentijd de laatste kilometers voor zee wel 50 meter breed is. We blijven de rivier volgen de bergen in om de Alpen weer over te steken in oostelijke richting. Het is hier helemaal groen, geen enkel teken van menselijk bestaan. Alleen maar oerbos en dat is een stuk minder saai dan de bossen in Nederland. We rijden kilometers door de Alpen langs de Haast en passeren ontelbare one lane bridges die verdomd veel lijken op onze Bailey bruggen. Zo gauw we de Haast pas over zijn, komen we aan de oost kant van de Alpen en hier groeit dus op slag niks meer! De lucht is strakblauw, geen boom te zien en het gras dor. Hier is het graan al gedorst, het stro ligt geperst op het land. We rijden langs het enorme meer Wanaka en dan met een slinger naar het Hawea meer. De meren hebben een speciaal blauwe kleur. Ze zijn gemaakt door vroegere gletsjers en de kleur zou gedeeltelijk ontstaan door de morenen op de bodem.

We gaan verder naar het zuiden over de Crown Range Road, de hoogste ‘snelweg’ van Nieuw Zeeland (1121m). Na het hoogste punt daalt de weg in moordend tempo naar Queenstown af, met prachtige uitzichten over de vallei.

We maken nog even een omweg naar de Kawarau brug. Op deze oude, houten brug is het bungee jumpen uitgevonden. We zien een stel idioten aan een lang stuk elastiek van de brug springen, met hun kop in het water van de rivier. Mij niet gezien!

 

Groet

Pieter en Annemieke

Woensdag 24 februari, rustdag Queenstown

 

Vandaag iets gedaan wat ik zelf niet zou verzinnen op vakantie: paardrijden. De twee Engelse dames haalden ons over om 3 uur te gaan rijden in Glenorchy, buiten Queenstown. Aangezien bungee-jumpen niet mijn ding is en winkelen ook niet echt, gaan we er voor. Met een bus naar de Dart Stables, die naarmate we verder uit Queenstown rijden steeds voller wordt. Big Business hier, zo’n rondje te paard. Pamflet in de bus over de veiligheid; indeling in rijvaardigheid. Van 0-10 uur gereden, 10-20 uur, 1x per week of ervaren. Dit keer beschouwen we onszelf categorie 4…

Beide Engelse dames hebben ook een paard, Sheelagh Marshall een Cob en Debbie Thake meerdere paarden. Ze rijdt, haar dochter ook, voor de lol Prix St George. Op het laatste moment besluit ook Valeria, vriendin van Jingers en een organisatietalent eerste klas, ook mee te gaan. Ze komt uit Argentinië, is 37 jaar en heeft tussen haar 7de en 9de jaar gereden. Das al even geleden!

De paarden staan opgezadeld klaar, zijn goed gevoerd, maar hebben de laatste paar maanden geen smid meer gezien. Ze hebben er in totaal 57. Meest Engelse volbloeden, een paar Clydesdales en een aantal Nieuw Zeelandse warmbloeden, of wat daar voor door moet gaan. Mijn Wilson is zo’n type, met het hoofd van een Clydesdale. Pieter zit op Omagh, een volbloed en filmster.

Dat is namelijk de reden dat we ons hebben laten overhalen. Het gebied waar we doorheen rijden (dal tussen de Dart en Rees Rivers) is een van de decors in de Lord of the Rings Trilogie. Ik heb de films niet gezien, ik geloof niet in sprookjes, maar inmiddels hebben we al zoveel van de decors doorkruist dat ik de trilogie toch maar eens ga bekijken. De intro van de tweede film begint met een vogelvlucht over de bergkam in deze valei. In de tweede film zitten scènes van een oorlog met een leger te paard, 2500 manschappen. Tijdens het filmen zijn 250 paarden en ruiters gebruikt uit de streek van Central Otago, vossen, bruinen en zwarten, zonder opvallende aftekeningen. Deze 250 zijn gewoon met 10 vermenigvuldigd en dan heb je toch een enorm leger!

Was best een leuke tocht met veel rivieroversteken. Het Wakatipu meer waar Queenstown aan ligt, wordt gevoed door de Rees en Dart River en nog 5 andere rivieren. Het meer is 84 km lang en ligt op 312 m hoogte. Gemiddeld is het 300 m diep en slechts 12 graden warm. Alle toevoer is van smeltwater van de diverse gletsjers. De afvoer van het water wordt slechts door 1 rivier verzorgd en mede door de variabele windkracht veroorzaakt door de omringende bergen zorgt dat voor een soort eb en vloed. In een cyclus van 7,5 minuut stijgt en daalt het water ongeveer 7,5 cm, met pieken van 20 cm. 

’s Avonds maken we een tochtje over het meer met een stoomboot uit 1912 en eten we in Walter Peak, een boerderij uit 1908. De stoomboot vreet op topsnelheid (ongeveer 22 km/u) 1000 kg kolen per uur. Lekker zuinig bootje in dat eco-vriendelijke Nieuw Zeeland!

 

Groet Pieter en Annemieke

Donderdag 25 februari, Queenstown-Te Anau, 247km, 6 uur rijden

 

Wauw! Vandaag een super dag gehad! Er is een gewone, snelle, route van 3 uur naar Te Anau, maar ook een 4x4 weg. Jingers raadde het ons af gisterenavond. Te diepe rivercrossings, te steil, te veel stenen.

We zijn nu echter weer zo dicht bij Christchurch dat we de eend er toch aan gaan wagen. Het eerste stuk gaat gewoon over de Highway 6 waar we een eind buiten Queenstown een opstopping hebben. Het verkeer staat stil. Een wegwerker loopt ondertussen alle auto’s af om uitleg te doen. Zo ook bij ons, maar niet alvorens de eend op de foto te zetten. Een eindje verder wordt dynamiet in de berg geplaatst. Er dreigt een stuk rots op de weg te vallen, dat proces gaan ze versnellen. Na een kwartiertje mogen we door, de ontploffing zal pas vanmiddag zijn.  Weer veel wijngaarden, fruitkwekers, hier pruimen, perziken en abrikozen. Na 60 km gaan we op gravel over: Nevis Crossing.  We rijden de Garvie Mountains op. Een helemaal verlaten landschap waar geboerd wordt. Allemaal schapen. Eigenlijk hebben we in heel Nieuw Zeeland nog niet zoveel schapen gezien als vandaag. Het gravelweggetje is ok en we vragen onszelf eigenlijk af waarom het ons werd afgeraden. Dat wordt al snel duidelijk nadat we het eerste veerooster zijn gepasseerd. De weg wordt steeds smaller en vooral steeds steiler. Onze eend kruipt in de eerste versnelling omhoog. Dat gaat niet snel, maar met niet teveel gas neemt ze ons ook de wasborden niet kwalijk. We blijven klimmen tot we op 1302 meter hoogte komen. Er is hier geen levende ziel te bekennen, buiten de schapen en de enkele stier die we tegenkomen. De uitzichten zijn enorm. Geen boom te bekennen, alleen maar geel gras en wat lage struiken en glooiende bergen zover je kunt kijken. Geen dorp, geen huis, geen auto, zelfs geen elektriciteitspalen.

We gaan het dal weer in en na een paar bochten ga ik op de rem. Hier is een beek bezig zich een nieuwe weg te banen: over de weg. In haar enthousiasme heeft ze het fijne gravel alvast verwijderd, er blijven keien over. Gelukkig gaan we bergaf en voorzichtig manoeuvreren we de Rooie over de rotsen. Ook dat gaat goed. Helemaal beneden verzamelen de beken zich in Nevis River. En ja, daar loopt de weg dus doorheen. We hebben besloten ervoor te gaan dus Pieter neemt poolshoogte en de camera, krijgt natte voeten en de eend geniet. Zonder problemen peddelt ze naar de overkant. Dit is genieten! Na nog zo’n kikkerbadje komen we bij een hek. Die zijn er overigens nogal wat op een dergelijk station. Je wordt geacht de hekken die open zijn open te laten en de gesloten hekken weer achter je dicht te doen. De weilanden zijn zo al groot genoeg.

Naast dit hek staat een onheilspellend bord: ‘niet toegankelijk voor auto’s. 25 waterpassages.’

Teruggaan is geen optie. Er komen nog een aantal 4x4’s achter ons, die moeten ons er dan maar doorslepen. De volgende waterbak ziet er serieus uit. Zeker twintig meter moeten we zwemmen en het water is niet helder genoeg om de bodem te zien. We besluiten gewoon rechtdoor te gaan. Pieter verkent de bodem; weer natte voeten en ook zijn korte broek is te lang… In haar eerste versnelling gaan we zachtjes te water, halverwege komt het water langs de stuurkolom de auto in. Maar de eend blijft gaan en brengt me keurig op het droge! Die ontsteking zit op een prima plek en blijft goed droog. Ze sputtert absoluut niet! In een van de riviertjes is de ondergrond niet vlak en komt er een heuse boeggolf over de motorkap. Geweldig, wat een auto!

We zijn er beduusd van. Als we uiteindelijk in de afdaling richting Garston weer benzine ruiken, stoppen we en blijkt het benzineleidinkje weer lek te zijn. Dat is geen hoogstaande kwaliteit, maar we hebben nog een halve meter reserve en steeds maar 15cm nodig. Weer een nieuw stukje afgesneden en erop geduwd. Nog geen 5 minuten werk. Na 73 km gravel komen we weer op het asfalt en scheuren de resterende 100 km naar Te Anau. Op de Mustang en een Landcruiser na is iedereen over de Nevis Pas gekomen. Een aantal vrouwelijke navigators zegt de halve tocht met de ogen dicht te hebben gezeten. Iedereen is verbaasd dat de eend er zonder hulp is doorgekomen. Morgen heeft ze rust. Wij gaan met bus en boot Doubtful Sound verkennen.

 

Groet

Pieter en Annemieke

Vrijdag 26 februari, rustdag Te Anau

 

Vandaag een vrije dag om een van de fjorden in Fiordland te bezoeken. Wij gaan met ons vieren naar Doubtful Sound, omdat die minder goed bereikbaar is en dus minder bezoekers trekt. Om er te komen stappen we als echte toeristen om kwart voor negen in de bus die ons naar Manapouri en het gelijknamige meer brengt (22 km). Daar nemen we in Pearl Harbour een catamaran die naar de overkant van het meer vaart, de West Arm. Lake Manapouri is het op 5 na grootste meer van NZ met heel veel eilanden en een gemeten diepte van 444 meter. Alle meren hier op het zuideiland zijn ontstaan in de ijstijd en door gletsjers gevormd. Aan die gletsjers danken ook de Sounds hun bestaan. De gletsjers hebben alles platgeduwd wat voor hen kwam en de bodem U-vormig uitgeschuurd. De bodems van de fjorden zijn ook halfrond. Na aankomst in de West Arm stappen we weer in een bus die ons over de Wilmott Pass (22 km)  brengt. Dit gravel weggetje was er nooit gekomen als er in 1963 niet was begonnen met de aanleg van het Manapouri Power Station. Deze waterkrachtcentrale ligt 176 onder het niveau van het meer en is gehouwen uit de granieten rotsen. In het oorspronkelijke plan zou het water in het meer (de wateraanvoer) 30 meter stijgen, waardoor alle eilanden in het meer onder water zouden komen. Een aantal van deze eilanden zijn echter ecologisch van groot belang (Pomona-eiland) waardoor een toenemend aantal Nieuw Zeelanders hevig protesteerde tegen de plannen. Uiteindelijk werd in 1972 door de regering vastgelegd dat de waterstanden in de Manapouri- Monowai- en Te Anaumeren op hetzelfde niveau dienden te blijven. Dit proces wordt als het begin van het milieubewuste Nieuw Zeeland beschouwd. De centrale is de grootste op waterkracht in NZ en levert 710 MW. De waterafvoer is in Deep Cove in Doubtful Sound. De Wilmott Pass is aangelegd om de machine onderdelen en werktuigen aan te voeren over zee en dan per (aangevoerde) vrachtwagen naar de centrale. Het aanleggen van de weg het twee jaar geduurd en kostte in de jaren 60 meer dan 40 euro per vierkante meter.

De route met de bus over de pas is fantastisch. We hebben een natuurliefhebber als chauffeur en die vertelt ons alles over het ‘koude’ regenwoud waar we door rijden. De regenval is op die paar kilometer die we afleggen enorm variabel. In Manapouri stad valt ongeveer een meter water per jaar, in de West Arm 3,5 meter en in Deep Cove ruim 5 meter per jaar. De begroeiing heeft zich hieraan aangepast. Er groeien grote bomen van de beukenfamilie die vol zitten met mossen. Die mossen hebben allerlei kleuren en vormen. Bruin, groen en sommigen hangen als lange baarden aan de takken. Beetje spookachtig en in eerste instantie lijken de bomen zelfs dood te zijn. Er groeien alleen maar blaadjes aan de uiterste takken en het blad is veel kleiner dan ons beukenblad. Lager groeien ook naaldbomen zoals Rimu en natuurlijk zijn er ontelbaar veel soorten varens.

In Deep Cove aangekomen stappen we op de volgende catamaran om door Doubtful Sound te varen. Deze naam heeft Captain Cook gegeven toen hij 1770 met zijn schip Endeavour Nieuw Zeeland verkende. Hij vond het maar een ‘Doubtful Harbour’ en besloot er niet binnen te varen omdat hij twijfelde of hij er terug uit zou komen. Hij had gelijk. De Tasman zee is zeer ruig aan de uitgang van de Sound.

Doubtful Sound ligt in het Fiordland National Park, dat 1,25 miljoen ha groot is. Het grenst aan de nationale parken van Mount Aspiring, Westland en Aoraki Mt Cook, waardoor eigenlijk heel Zuid-West Nieuw Zeeland een groot natuurpark is. Deze Sound is ook weer van een onwaarschijnlijke schoonheid. Zo ver je kunt kijken (40 km lang, 430 m diep, 11 graden watertemperatuur) begroeide bergen en water. Dit is onbeschrijfelijk mooi en stil, zelfs geen vliegtuigjes en helikopters. Pleziervaart komt hier ook niet, daarvoor is de Tasman zee te berucht. We zien een groep pelsrobben en twee crested pinguïns, met een gele streep boven hun oog. Op de terugweg ontmoeten we in een arm van de fjord een groep tuimelaars. Die schijnen hier altijd te verblijven en nooit meer de zee in te gaan. Wat een Sound ook bijzonder maakt is de waterverhouding. Van de bergen komt zoveel zoetwater naar beneden in ontelbare watervallen dat de bovenste 4 meter water zoet zijn. Dat vermengt zich pas in zee met het zoute water. Het getij in de Sound is beperkt tot 2,5 - 3 meter. We zijn weer stil van zoveel natuurschoon.

Nieuw Zeeland is echt heel bijzonder. In Te Anau heb ik net weer een ijsje gekocht: twee bolletjes voor 2 dollar en dat is 1 euro. Een bolletje hier is bij ons minstens twee bollen dus ik eet me hier rijk aan ijs. Hokey-Pokey is inmiddels mijn favoriete smaak. Vanille ijs met karamel stukjes. We zijn ook eens even in de etalage van een makelaar gaan kijken. Een huis met 3 slaapkamers, een kantoor en 22 ha grond in gebruik als hertenfarm voor 600000 euro. We gaan er nog eens goed over denken.

 

Groet

Pieter en Annemieke

Zaterdag 27 februari, Te Anau-Dunedin

 

Vandaag vrij veel kilometers. We rijden van Te Anau langs de zuidkust naar Dunedin. We passeren het stadje (690 inwoners) Tuatapere, een typisch voorbeeld van landelijk Nieuw Zeeland. Eigenlijk zijn die dorpen vergelijkbaar met het Amerikaanse platteland. Een grote, brede hoofdweg dwars door de stad met aan beide kanten winkels. De huizen liggen daar aan beide kanten achter. Een woonwijk is het best te vergelijken met een stacaravan park bij ons. Houten huizen van één verdieping met een tuintje eromheen. De tuinen zijn allemaal met houten hekwerk afgezet. Ieder zijn eigen vierkante lapje grond.

Als we bij Te Waewae Bay komen aan de zuidelijkste kant van het Zuidereiland, kunnen we niet alleen voelen dat het hier flink waait. De bomen hangen tegen het land aan en zijn allemaal gesnoeid door de wind. We stoppen in Invercargill bij Hayes en Son Hammer Hardware shop. Meneer Hayes had, toen hij in 1880 immigreerde, wat problemen met de stoere boeren in de omgeving en kon geen voet aan de grond krijgen. Om te bewijzen dat hij wel wat kon, bouwde hij een motor van allerlei overtollige troep. Met een keukenkraan, snelkookpan, jampot, hout en ijzerdraad maakte hij een motor die nog altijd functioneert. Hij moet enorm in aanzien zijn gestegen, want zijn nazaten profiteren er nog van. Er staat een enorme winkel in gereedschap, outdoor artikelen, huishoudelijke artikelen enz.

Bij de Macleans waterval lopen we een stukje door het bos. We kunnen er geen genoeg van krijgen. Het bos is zo dicht en zo groen. De waterval op zich is niet eens zo de moeite, maar de wandeling er heen absoluut wel!

We vervolgen onze weg langs de Catlins Coastline en stoppen bij de Lost Gypsy Gallery. Een of andere oudere jongere heeft hier in zijn bus allerlei ongein verzameld. Alles draait om mechanisch speelgoed. Zelf maakt hij ook van die spelletjes in zijn werkplaats van zeker 1 vierkante meter.

We maken een omweg om bij Nugget Point te komen. Daar lopen we naar de vuurtoren om weer een kolonie zeehonden te zien. Op een van de rotsen broeden lepelaars. Met de verrekijker kunnen we ze goed zien, sommigen broeden nog, anderen hebben al jongen. Natuurlijk is er ook weer dat prachtige zeewier dat op enorme groene tagliatelle lijkt. Meterslang beweegt het op de golven mee, vastgeplakt aan de rotsen. Langs de kust rijden we naar Dunedin, een stad die gesticht is door Schotten rond 1840. Morgen gaan we een Albatros kolonie bekijken.

 

Groet

Pieter en Annemieke

 

Zondag 28 februari, rustdag Dunedin

Vanmorgen gewekt door een verontrustend sms-je van Toon over de Tsunami die Nieuw Zeeland zal treffen als gevolg van de aardbeving in Chili. Natuurlijk meteen Internet gecheckt en inderdaad werd er een tsunami verwacht die in Dunedin tussen de 20cm en 1 meter hoog zou kunnen zijn. Verder noordwaarts langs de oostkust van NZ kan de golf groeien tot 2 meter.

Pieter gewekt die slaperig reageert. Ik wil naar de zee, hij ziet dat niet zo zitten. Als we een half uur later aan de kust zijn begrijp ik waarom: hij verstond dat er een vloedgolf van 20 meter aankwam! We hebben trouwens een mooi plekje gevonden op een rots bij een kerkhof, langs de golfbaan.Zonsopkomst was mooi, maar de tsunami hebben we niet gezien. Een half nadat wij vertrokken zijn wel alle stranden gesloten, alle surfwedstrijden afgelast en een groot gedeelte van de bewoners van de Banks Peninsula geëvacueerd. Gelukkig is er in NZ niets gebeurd.

Na onze strandwandeling hebben we Dunedin verkend, dat gesticht is door schotse immigranten. Dat is een groot aantal officiële gebouwen aan te zien. Zwarte ruwe steen met witte zandsteen afwerkingen. Er staat een prachtig station. Dunedin heeft 100000 inwoners, waaronder een groot aantal studenten. De Schotten waren zo slim om direct een universiteit te starten als goede presbyterians. Om twee uur worden we in het hotel opgehaald door John die ons naar het albatros centrum brengt en ondertussen nog wat meer vogels laat zien. Op het schiereiland dat aan Dunedin vastzit, is een inlet waar waadvogels een prima plek gevonden hebben. De eerste vogel die we zien is een Pukeko, een inlandse vogel die het vliegen nog net niet verleerd is. Onderweg hebben we ze al vaak in weien langs de weg zien zitten. Ze zijn diepdonkerblauw en zwart met een vuurrode snavel en kam en een witte staart. Ze kunnen heel goed lopen maar ze vliegen net zo onbeholpen als een fazant. Er zit een ijsvogel op een hek en een reiger met witte kop in de waterkant. Natuurlijk weer scholeksters, de zwart-witte die wij ook kennen , maar ook de minder voorkomende zwarte. We zien weer de eenden die hier inheems zijn en waarvan de man een zwarte en de vrouw een witte kop heeft. Ze schijnen paartjes voor het leven te vormen en wanneer het vrouwtje dood gaat, blijft het mannetje naast haar zitten treuren tot hij omvalt. Dat is nog eens echte liefde!

Er zijn ook een soort plevieren, die een heel apart geel masker hebben en natuurlijk steltlopers en ontelbaar veel zwarte zwanen. Witte zwanen komen alleen voor in gevangenschap. Vanaf de inlet rijden we naar de punt van het schiereiland Taiaroa Head, de enige plaats ter wereld waar de Northern Royal Albatros aan land komt. Als we het parkeerterrein van het bezoekerscentrum oprijden zien we de eerste zweefkisten aankomen. Wat een enorme vogels! Ze hebben een spanwijdte van ruim 3 meter en een speciaal klikmechanisme in hun vleugels dat de gewrichten als het ware op slot zet, zodat ze zonder energie te verspillen blijven zweven. Als ze als volgroeide kuikens voor het eerst het luchtruim kiezen, duurt het 5 jaar voor ze aan land terugkeren. Door het raam van de observatieruimte kunnen we een aantal nesten zien met standaard een kuiken per nest. Een aantal volwassen exemplaren vliegt vlak langs de ramen en ik ben beduusd van hun grootte en van hun elegantie in de lucht. Als er een landt is dat echter allesbehalve charmant. Ze zijn heel onhandig en klappen gegarandeerd voorover; op hun bek zeg maar!

Van deze verbazing bekomen, neemt John ons in een Kia Sorento (zo’n Koreaan kan toch niks zijn als je een 2cv of een Jap gewend bent) mee naar het strand dat in eigendom is van ELM de touroperator waarvoor hij werkt. Dan blijkt een Koreaan toch wel een luxe te zijn. Andere bezoekers komen per bus en moeten flink klimmen. Onze Kia gaat de schapenwei in en rijdt recht omhoog, tot we over de motorkap de zee zien. Op dat punt verwachten we te stoppen, maar John rijdt door! Redelijk akelig als je niet zelf achter het stuur zit, maar de wei loopt gelukkig nog een eindje naar beneden door.

We stappen uit en bezoeken eerst een kolonie zeehonden: moeders en kinderen. We hebben ze nu al op veel plaatsen gezien, maar het blijft een feest om de kleintjes te zien spelen in de poelen tussen de rotsen. Er staat ook een geeloog pinguïn op de rotsen. Die is al een week op de rots. Waarschijnlijk vanwege de rui, maar de veren laten niet hard los. Een pinguïn in de rui is behoorlijk kwetsbaar. Hij is niet waterdicht op dat moment en kan dus niet gaan vissen. Hij verliest dus gewicht en als het ruien te lang duurt, is hij uiteindelijk te zwak om te vissen en dus een gemakkelijke prooi voor een zeeleeuw.

We rijden naar een strandje waar de geeloog pinguïns nestelen.Het eerste dat we zien is een koppel zeeleeuwen. Als je zo kort na elkaar ziet valt het verschil in kop goed op. Buiten dat een leeuw groter is en de man manen heeft, heeft een zeehond een echte hondenkop met een lange neus en een zeeleeuw een platgeslagen neus.

Als we op de zeeleeuw staan te kijken komt er een pinguïn uit zee gewandeld. Een super koddig gezicht. Ze doen er lang over om van zee in het duin te komen. Niet omdat ze zo slecht kunnen lopen maar omdat ze oververhit raken. Ze stoppen dus om de paar meter om met hun ‘vleugels’ te klapperen, zodat ze afkoelen. Het is eer raar gezicht om een pinguïn het gras in te zien lopen. We zien er even later een die helemaal boven op het duin geklommen is, zeker 15 meter boven zee in de wei bij de schapen. Om te nestelen hebben ze een beschutte plek nodig en daarom heeft door ELM flax struiken en cabbagetrees aangeplant. Het schijnt ze te bevallen want van de 1500 geeloog pinguïns in de wereld komen er 150 op dit stukje strand. We zitten ongeveer een half uur in de obervatiehut te genieten en zien 20 pinguïns uit het water komen. Ik mag niet flitsen. Het schrikt ze af en hun gele ogen zijn echter gevoelig voor licht. Als we op de terugweg twee pinguïns op nog geen drie meter afstand passeren, zie je dat ze hun ogen vaak en lang dicht hebben. Meer geschikt voor onder water! Als we om acht uur op het strand wegrijden zijn we helemaal stil. De natuur in Nw Zeeland is echt schitterend.

 

Groet

Pieter en Annemieke 

Maandag 1 maart, Dunedin-Cromwell, 222 km

En weer een geweldige dag vandaag! Na het uitrijden van de Nevis road met alle rivercrossings is Jingers overtuigd van de capaciteiten van onze kleine rode 600 cc 2CV. Vandaag hebben we dus ook de 4x4 route gekozen. Om 8 uur vertrokken uit het hotel in Dunedin richting westen. We zijn op weg naar de Old Dunstan Road die rond 1862 werd gemaakt om de gouddelvers vanuit Dunedin naar de oevers van de rivier Clutha te brengen. Het is een directe verbinding over 175 km. De gouddelvers deden er in die tijd 3 tot 5 dagen over, het is de bedoeling dat wij vanavond in Cromwell zijn…

Om de splitsing waar het roadbook ons gravel beloofd ben ik teleurgesteld: spiksplinternieuw asfalt! Shit! Gelukkig nemen wij 20 km verder een afslag naar links en dan gaan we weer spelen. De gravelroad wordt gaandeweg smaller en het land stiller en verlatener. De heuvels rollen om ons heen. We stijgen langzaam tot 1000 m en de eend heeft het nergens moeilijk. In mijn ogen kan iedere auto over deze weg. Deze weg loopt door een station zoals een grote veehouderij wordt genoemd. Her en der lopen plukjes schapen en we zien ook weer een groepje wilde kalkoenen. Waarschijnlijk is er ooit eens een ontsnapt aan de kerstdis, want eigenlijk zien we regelmatig kleine groepjes door de heuvels struinen. Benaderen is onmogelijk, ze weten waarschijnlijk dat ze in de pan belanden. We rijden langs een vroeger moerasgedeelte waar een dam in is gelegd. Het water kan op deze manier beter voor irrigatie worden gebruikt. De glooiende grasheuvels gaan dan plotseling over in vlaktes tussock, een keiharde, bruingele grassoort die in pollen groeit, met enorme rotsblokken tussendoor. Hier groeit geen boom en in plaats van weipalen van hout gebruikten de boeren vroeger rechtopstaande stukken rots om hun weilanden af te zetten. Verslijt natuurlijk nooit, maar wat een werk! Zelfs hier worden schapen en koeien gehouden, die dat harde gras niet eten, maar tussen de pollen een enkel groen sprietje vinden. Geen medelijden overigens, alle vee is hier moddervet, zelfs melkkoeien. Die afgelegen weilanden moeten echt tientallen hectares groot zijn. We passeren een boer in zijn pick-up die wel zes honden bij zich heeft. Dat vee krijgt een hond alleen ook nooit meer bij elkaar! Tussen die rotsen door is de gravelweg uiteraard niet zo gladjes. Veel keien en soms ook stukken gladde rots. Wanneer we afdalen, komen we uiteindelijk terug in de bewoonde wereld, in Alexandra. Daar kunnen we allemaal tanken. Na een fish en chips (gedeelde portie!) ruilen we van stuur. Ik mag weer! Ik schijn gelukkige keuzes te maken wat dat betreft: ik heb de 25 fords gedaan en waar we nu voor komen te staan…

Ik ben nog niet helemaal aan het opletten als we 15 km uit Alexandra links de weg afmoeten, het gravel op. Ik schakel terug en rijd de bocht om. Allemachtig! Steil!! De eend staat in haar tweede versnelling en voor ik van de schrik bekomen ben, staat ze natuurlijk stil. Dit is echt steil! Ik laat haar naar beneden zakken en doe een nieuwe poging in haar eerste versnelling. Nee, ze komt niet op toeren. Helemaal terug naar beneden dan maar. Ik geef haar een aai over haar bol en dan vol gas in de eerste versnelling omhoog. Dit moet lukken, een 2CV kan alles, toch? De weg zit vol wasborden, geulen, kuilen en stukken rots. Ik krijg medelijden met dat kleine rode autootje. Ze gilt het uit en er komt geen einde aan de klim. Bij iedere bocht hoop ik een vlak stukje te zien, maar de weg blijft recht omhoog gaan. Fotograferen is niet mogelijk, we zitten echt met onze rug tegen de leuning. Wat een auto! Als ze boven staat zijn we eigenlijk een beetje beduusd, we hadden verwacht dat we onze nederlaag toe hadden moeten geven! Nu gaan we niet meer terug naar de 2x4 weg.

Dit stuk weg, de Hawksburn Road, is op een normale wegenkaart niet te vinden. Het is prachtig en steile afdalingen wisselen af met even steile klimpartijen. Hier en daar is de weg heel slecht door regen en opgedroogde modderpoelen met diepe harde sporen. De eend is vrij smal, maar half spoor rijden lukt goed. Om even voor vier uur arriveren we in Cromwell, weer een geweldige ervaring rijker!

Groet,

Pieter en Annemieke